September: hoofdstuk 1 - 18
1. Pat
Traag eet ik een boterham met pindakaas. Ik staar uit het raam. De eerste dag van mijn introductie, en het zeikt van de regen. Ja hoor, dat heb ik weer. Nu gaat mijn haar natuurlijk weer pluizen, net nu ik een beetje leuk moet overkomen voor het stel vreemden waarmee ik het de komende jaren goed moet kunnen vinden. Oh, gadverdamme. Ik haat vreemde mensen. En ik haat pluishaar. En ik haat regen. En eigenlijk haat ik pindakaas ook, maar er was niks anders in huis, behalve smeerkaas, en dat haat ik ook.
,,Goeiemorgen Patries!” En ik haat Maggie, mijn zus. ,,Ik heet geen Patries,” zeg ik met mijn mond vol brood. ,,Hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen? Noem me Patricia of noem me Pat, maar alsjeblieft géén Patries!” Maggie gaat er niet op in. Moet je haar horen als ik haar per ongeluk expres Magda noem. ,,Zo, weer goedgehumeurd vandaag, hoor ik?” zegt ze, onuitstaanbaar vrolijk. ,,Vandaag is de eerste dag van je introductie. Doe alsjeblieft alsof je het leuk vindt!”
,,Ik vínd het niet leuk! Ik haat vreemde mensen en dat weet je. Vreemde mensen vinden mij nooit aardig. Ze vinden me altijd raar.”
Maggie zucht. ,,Doe dan op z’n minst een beetje moeite. Kijk vriendelijk. Stel vragen. Begin niet meteen te blèren als iemand iets zegt waar je het niet mee eens bent. Dan vinden ze je echt wel aardig.” Ik haal nukkig mijn schouders op. ,,Ik mis Reina.” Maggie slaat haar arm om mijn schouder. ,,Ik weet het. It sucks.” Ik prop de laatste hap brood met gore pindakaas naar binnen. ,,Dat doet het zeker.”
Reina is mijn beste vriendin. Ze is mijn partner in crime, mijn soulmate. We zouden samen Nederlands gaan studeren. Maar Reina is gezakt. En nu ga ik in mijn eentje Nederlands studeren. Ik zie er als een berg tegenop. Reina en ik waren een team, de afgelopen jaren, en eerlijk gezegd weet ik niet meer zo goed hoe ik in mijn eentje moet functioneren.
Maar goed, er is weinig aan te doen. Het lot heeft het zo bepaald. Ik smeer wat anti-pluisspul in mijn haar, en stop mijn boek, flesje water en twee croissantjes in mijn favoriete tas. Nog één keer kijk ik naar mezelf in mijn grote passpiegel. Zwart poloshirtje, spijkerbroek en mijn geweldige nieuwe cowboylaarzen. Niks op aan te merken. Behalve dan die krullen. Maar ja, die zijn nou eenmaal geërfd, daar moet ik maar mee leren leven. Voor één keer probeer ik Maggies advies op te volgen: positief denken. Doen alsof je het leuk vindt. Ik kijk op mijn horloge. Shit, ik moet rennen, anders mis ik mijn trein.
We moeten verzamelen in één of andere kerk. Het is me een raadsel hoe ze daar ooit bij gekomen zijn. Ik ga verdomme Nederlands studeren, geen theologie. Maar goed, positief blijven. Een kerk dus. Ze hebben er gelukkig wel een uitgekozen die dicht bij het station is, zodat de kneuzen van het platteland niet al te ver buiten het centrum van de stad hoeven te dwalen. Ik heb hier vaak gewinkeld en had gedacht dat dat wel voldoende zou zijn om zo’n stom kerkje te vinden, maar schijn bedriegt. Volgens mij heeft dit station minstens drie uitgangen en ik heb geen idee welke ik moet hebben. Volgens de stationsklok heb ik nog twintig minuten. Ik begin lichtelijk in paniek te raken.
Net als ik een willekeurig iemand wil gaan aanspreken om het te vragen, spot ik een jongen met een bordje om zijn nek waar “Nederlands” op staat. Naast hem staan twee stug kijkende meisjes van ongeveer mijn leeftijd. Oh help, die moet ik natuurlijk hebben. Ik haal diep adem. Oké, daar gaan we. Positief denken. Ze vinden me vast wel aardig.
Ik stap vastberaden op het drietal af en steek mijn hand uit naar de bordjesjongen. ,,Hoi, ik ben Pat.” Hij kijkt een moment verbouwereerd naar mijn hand voor hij op het idee komt om die te schudden. ,,Eh, hoi, ik ben Jasper. Jij bent van Nederlands?”
,,Nee, eigenlijk van Aardwetenschappen, maar ik dacht dat jullie misschien dezelfde kant op gingen.” Oh God. Ik heb het eruit geflapt voor ik het goed en wel doorhad. Wat een ontzettend stom grapje. Volgens mij hebben ze niet eens begrepen dat het een grapje wás, want ze staan me maar een beetje aan te staren. Ik lach zenuwachtig. ,,Nee, grapje. Ik ben van Nederlands.” Ik zie Jasper opgelucht ademhalen onder zijn bordje. Het is even pijnlijk stil. Stel vragen. Oké. ,,Denk je dat er nog meer verdwaalde studentjes komen?” vraag ik. Hij haalt zijn schouders op. ,,We wachten nog even. Dan gaan we weg.”
,,Er zullen er toch nog wel een paar komen? Ik bedoel, wij zijn vast niet de enigen die met de trein gekomen zijn.”
,,Misschien zijn ze er al. Er zijn al een paar groepjes weg.”
,,Oh. Dan zijn die wel heel vroeg, of niet?”
,,Valt wel mee, denk ik.”
Ik geef het op. Deze gast is niet in staat tot het voeren van een boeiend gesprek. Het is weer stil.
Van deze stilte word ik ook gek. Ik besluit me tot de twee meisjes te wenden. ,,En wie zijn jullie?” vraag ik, alsof dat me wat interesseert. Ik krijg twee slappe handjes. Het ene meisje blijkt Dewi te heten, het andere Boudewina. Arm kind. ,,Kennen jullie elkaar al?” vraag ik, want ze staan zo gemoedelijk samen te zwijgen. ,,We zaten samen in de trein,” antwoordt Boudewina. ,,En toen konden jullie aan elkaars neus zien dat jullie Nederlands gingen studeren?” vraag ik door. Dewi kijkt geïrriteerd. Nou zeg, het was maar een vraag. ,,Nee, ik zag het aan haar boek,” vertelt Boudewina trots. ,,Ze zat Werther Nieland te lezen en dat moeten we lezen voor het eerste blok.”
Aha. Ik heb hier twee mensen getroffen die zich al door de verplichte literatuur aan het heenworstelen zijn, terwijl ik mijn lesboek nog niet eens heb. Ik heb vrienden voor het leven gemaakt. ,,Dat is heel goed!” bemoeit Jasper zich ermee. ,,Je kunt niet vroeg genoeg beginnen met lezen. Ik heb ook al bijna alles voor blok 1 gedaan.” Ik probeer hem niet al te verbijsterd aan te staren. Hij haalt het bordje van zijn nek en stopt het in zijn tas. ,,Oké mensen, laten we maar eens gaan.” En we gaan op weg naar de kerk. Ik verzoen me met de stilte. Ik hoop dat ik in een leuk mentorgroepje word ingedeeld.
In de kerk staat een lange rij, waarin we allemaal moeten wachten. Dewi en Boudewina ben ik kwijtgeraakt toen we binnenkwamen. Ik verdenk ze ervan dat ze er samen vandoor gegaan zijn toen ik even niet keek. Nu ben ik dus weer in mijn eentje. Nou ja. Deze eerste ontmoeting met studiegenoten was niet zo heel geslaagd, maar hey, nieuwe ronde, nieuwe kansen. Waar het tenslotte allemaal om draait, is het mentorgroepje. De mensen waar ik de hele week mee op zal moeten trekken. Help, ik ben zenuwachtig.
Eindelijk ben ik dan aan de beurt. Ik krijg een t-shirt en een nummer. Blijkbaar moet ik op zoek naar groepje nummer 5. ,,Bij het bordje met nummer 5 erop,” zegt het meisje van de t-shirts nog even behulpzaam. Wat een fantastische tip. Ik slenter langs de verzamelende groepjes. Om het nog eens extra duidelijk te maken, staan alle nummers door elkaar. Dertien, zes, twee, tien… en daar is dan vijf. Bordje vijf wordt vastgehouden door een jongen met dreads. En niet zomaar een jongen. Een ontzettend knappe jongen. Ik kan wel dansen. Die jongen wordt mijn mentor! Ik kan mijn geluk niet op. Hij is voor mij, besluit ik ter plekke. Laat de andere mensen van dat groepje maar doodvallen. Hij is de enige die me interesseert.
,,Pat, waar sta je…” De jongen, die zich heeft voorgesteld als Hugo, zoekt met zijn pen de lijst af. Ik bestudeer ondertussen zijn wimpers. Die zijn lang en donker. Zijn huid is glad en gaaf, alsof hij nooit jeugdpuistjes heeft gehad. ,,Patricia,” zeg ik er nog eens behulpzaam bij. ,,Oh ja, nou zie ik je,” zegt hij. Hij streept me af. Hij kijkt op van zijn lijst. Ik kijk in zijn ogen. Hij heeft de mooiste bruine ogen die ik ooit gezien heb. Ik doe weer eens een gebrekkige poging tot een gesprek. ,,Zo, dus jij gaat mij de hele week onder je hoede nemen.” Hij grinnikt. ,,Nou ja, dat ga ik proberen.” ,,Ik zal heel braaf zijn en goed luisteren,” beloof ik hem. Hij laat zijn ogen over mijn lichaam glijden. Het duurt misschien net een seconde, maar ik zou durven zweren dat hij me van top tot teen bekijkt. ,,Oh ja? Zo zie je er niet uit.” Ik weet niet of ik dit nou als een compliment of als een belediging moet opvatten. Is hij nou met me aan het flirten of verbeeld ik me dat maar? Net als ik een rake opmerking terug wil maken, wordt Hugo geroepen door een meisje van een ander groepje. Meteen vergeet hij mij volkomen. Hij draait zich om en loopt naar haar toe. ,,Zeg het eens, Anne,” hoor ik hem zeggen. Nou ja, we hebben nog de hele week.
2. Reina
Daar ben ik weer. Langzaam zet ik mijn fiets op slot. Opeens heb ik zin om te huilen, alsof ik dat voor de vakantie nog niet genoeg heb gedaan. Gehuild tijdens het leren van mijn examens. Gehuild tijdens de examens zelf. Gehuild toen ik moest wachten op de uitslag van de examens. En gehuild toen ik hoorde dat ik inderdaad gezakt was, zoals ik al vermoedde voor ik zelfs maar begon met leren. Dus ja, daar ben ik weer. VWO 6, take 2. Verman je, Reina, zeg ik tegen mezelf. Je hebt genoeg gejankt. Het is tijd om er wat van te gaan maken.
Ik loop de school binnen. Kijk naar de verveloze muren, de ingedeukte kluisjes, de paar vergeten jassen aan de kapstok. Kijk naar de mensen, allemaal jonger dan ik. Al mijn vrienden zijn geslaagd. Ze gaan studeren, reizen of werken. En ik ga de zesde overdoen. Waarom overkomt dat míj nou weer?
Pat mis ik nog het meest. Pat is mijn hartsvriendin. We zouden Nederlands gaan studeren. Dat gaat Pat nu alleen doen. Zij vindt het net zo erg als ik. We hadden het allemaal zo mooi gepland. We zouden gaan proberen om bij elkaar in hetzelfde huis te komen te wonen, of op z’n minst bij elkaar in de buurt. We zouden een groepje van de coolste mensen om ons heen verzamelen. We zouden iedere donderdag de hele nacht uitgaan. Maar ik moest weer zakken, dus daar komt nou allemaal niks van. Ik moet nog een jaar in dit provinciale kutdorp blijven, terwijl Pat de wijde wereld intrekt. Eerst bood ze me aan om een jaar te wachten met studeren, zodat we toch samen konden. Ze wilde een jaar gaan werken, of reizen, of wat dan ook. Maar het mocht niet van haar ouders. Ze zagen geen reden waarom Pat er een jaar tussenuit zou gaan. Dat kostte alleen maar geld, vonden ze. We snappen nog steeds geen van beiden welk geld ze bedoelden, maar feit is, dat Pat gedwongen is om gewoon te gaan studeren. Zonder mij. Ik krijg een heel saai jaar. Ik kom in de klas met allemaal jongere mensen die natuurlijk al allemaal groepjes en kliekjes gevormd hebben. Daar kom ik vast nooit meer tussen. Het enige wat mijn jaar nog kan redden, is een knappe nieuwe jongen. Yeah, right.
,,Sorry, mag ik jou wat vragen?” Ik draai me om en mijn mond valt open. Het lijkt wel alsof mijn gebed ter plekke is verhoord. Voor mijn neus staat een knappe nieuwe jongen. ,,Eh, ja, natuurlijk,” hakkel ik. ,,Brand maar los.”
,,Weet jij waar lokaal 2.06 is?” vraagt hij. Voor ik het weet heb ik al gezegd dat ik wel even meeloop. ,,Dit wordt mijn zevende jaar op deze school, dus ik weet de weg slapend.” Ik moet het er gewoon even bij zeggen, in de hoop dat hij me heel zielig zal vinden. ,,Je zevende jaar? Wow. Hoe kan dat dan?” vraagt hij.
Ik haal lijdzaam mijn schouders op. ,,Ik ben gezakt.” ,,Shit,” zegt hij meelevend. ,,Dat is klote voor je.” Ik glimlach naar hem. ,,Het ziet er naar uit dat ik nu in ieder geval iemand heb om wegwijs te maken. In welke klas kom je?”
Hij geeft geen antwoord op mijn vraag, maar glimlacht alleen terug. Het is even stil. Net als ik “nou?” wil zeggen, zegt hij: ,,Zijn er ook vrienden van je gezakt?”
Ik schud zielig mijn hoofd. ,,Nee. Just me. Eenzaam en alleen.”
,,En je kent niemand in je nieuwe klas?”
Ik zucht. ,,Vast wel een paar. Maar die hebben wel betere vrienden, denk ik. Damn, ik had moeten netwerken!” Hij lacht. Hij heeft een diepe lach, die welgemeend klinkt. Sexy.
We lopen een gangetje in. ,,Hier is 2.06,” zeg ik. ,,Maar hier moet havo 2 verzamelen, zie ik. Ik denk dat je het verkeerd gelezen hebt. Je komt vast in mijn klas, of in de parallelklas, en die verzamelen beneden. Of ga je naar havo 5?” Weer geeft hij geen echt antwoord. ,,Dankjewel voor het meelopen,” zegt hij. ,,Ik zie je nog wel eens.” Ik krijg opeens sterk het gevoel dat ik hier niet langer gewenst ben. Ik weet zeker dat hij verkeerd zit, maar ik heb ook mijn trots. Als hij niet wil dat ik hem help, moet hij het zelf maar weten. Dan blijft hij hier maar wachten tot sint Juttemis, tussen de gillende tweedeklassers. Mij een zorg. ,,Goed,’’ zeg ik koeltjes. ,,Tot ooit dan.” Dan draai ik me om en loop weg.
Als ik stiekem nog even achterom kijk, is hij verdwenen.
3. Pat
Ik doe mijn ogen even dicht en voel de warme zon op mijn gezicht. Onder me bromt de bus geruststellend. Niet dat ik zo nodig gerustgesteld hoef te worden. Ik heb een goed gevoel over dit introkamp. De weersvooruitzichten zijn super en naar wat ik van het programma begrepen heb, staat ons elke avond een feest te wachten. Over de activiteiten overdag tast iedereen nog volledig in het duister, dus dat belooft wat.
,,Ik droomde, dat ik langzaam leefde,” hoor ik Max’ stem naast me. ,,Langzamer dan de oudste steen.” Ik grinnik. ,,Ben je weer aan het declameren?” Ik doe één oog open. Hij zit me verontwaardigd aan te kijken. ,,Dat is Vasalis,” zegt hij. ,,Je gaat Nederlands studeren, en je kent Vasalis niet?”
,,Nope.” Ik haal mijn schouders op. ,,Ik ben niet zo van de poëzie.” Max slaat een kreetje. ,,Dat verandert nog wel! Oh, er is zoveel moois geschreven! Wat vind je van deze…” Voor hij de kans krijgt te beginnen, sla ik lachend mijn hand voor zijn mond. ,,Hou maar op! Het is niet aan mij besteed!” ,,Eeuwig zonde,” zegt hij gesmoord, van achter mijn hand. Ik lach. ,,Kan ik ook van jou zeggen.” Hij kijkt me niet-begrijpend aan. Ik giechel koket. ,,Je snapt me best.” Eeuwig zonde dat jij homo bent, bedoel ik natuurlijk. Al is Max wel de grappigste en meest aandoenlijke homo die ik ooit ben tegengekomen. Als hij hetero was, zou hij een stuk minder leuk zijn. Maar probeer hem dat maar eens uit te leggen. Daar begin ik maar niet aan. Ik zou hem waarschijnlijk alleen maar beledigen, en dat wil ik niet, want hij is een schatje. En hij begrijpt me nog steeds niet. Ik woel even door zijn haar (hij is zo’n jongen waarbij dat al kan als je hem nog geen 24 uur kent). ,,Laat maar zitten. Sloeg nergens op.”
,,Soms ben je maar een raar meisje.”
,,Jij ook.”
Hij giechelt en buigt zich naar me toe. ,,Trouwens, hoe vorder je met onze goddelijke mentor?” Ik kijk snel even achterom om te checken of die goddelijke mentor niet toevallig achter ons zit. Maar nee; achter ons zitten twee meisjes die allebei in een dik boek verdiept lijken te zijn. Goh, die gaan er vast een spetterend kamp van maken. Nou ja, ze zullen ons in elk geval niet afluisteren en ze zien er ook niet uit alsof zij ook hun zinnen op Hugo de Verrukkelijke hebben gezet.
,,Vanavond gaat het gebeuren,” zeg ik zachtjes maar beslist. ,,Gisteren heb ik het voorwerk gedaan, vanavond is the big night.”
,,Voorwerk?” Max begrijpt duidelijk niet helemaal wat ik daarmee bedoel.
,,Je hebt toch zelf ook weleens iemand versierd? Je begint met kletsen. Elke keer even een praatje maken, maar niet te lang natuurlijk. Als dat goed gaat, ga je hem een beetje subtiel aanraken, zijn arm enzo. Als hij dan nog steeds niet gillend is weggerend, ga je wat dichterbij hem zitten… En net als hij gaat denken dat er misschien wel een partijtje tongtennis inzit, ga je er vandoor. Hem hunkerend achterlatend.”
,,Pat, dat móet je een keer voor me opschrijven.”
,,Mijn persoonlijke versierhandleiding. Ik voel me vereerd.”
,,Maar, dus, want? Je hebt hem hunkerend achtergelaten?”
Ik giechel. ,,Ik denk het wel.”
,,Heb je hem vandaag al gesproken?”
,,Nah, nog niet echt. Volgens mij is hij er zo één die ’s morgens niks zegt.”
,,Hmm. Da’s minder.”
,,Nee joh, past prima in mijn strategie. Vandaag negeer ik hem zo’n beetje, en vanavond, als hij gaat denken dat hij iets verkeerds gedaan heeft, sla ik toe.”
Max kijkt verlekkerd. Ik weet dat hij nu wel even mij zou willen zijn. Maar aan hoe Hugo met Anne omgaat, kunnen we allebei wel zien dat hij hetero is.
,,Roofdier,” zegt Max jaloers. Ik maak een klauwtje van mijn hand en grom. We zitten te giechelen als kleine kinderen op de achterbank.
Het feest van de eerste avond is het Meet Your Match-feest. Alle vrouwen krijgen een kettinkje met een klein sleuteltje om hun nek, alle mannen krijgen een hangslotje. Dit is uitsluitend bedoeld om mensen te leren kennen, legt een gestesst uitziende jongen uit, niet om stelletjes te vormen of zoiets. ,,Maar dan leer je alleen maar mensen van het andere geslacht kennen,” merkt een bijdehante gast op. ,,Je mag best even met een ander slotje praten,” antwoordt gestresste jongen geërgerd. ,,Maar het is wel de bedoeling dat je aan het eind van de avond het juiste sleuteltje gevonden hebt.” Ik vind het een supervet idee. Opgetogen kijk ik rond. Het valt me wel op dat de vrouwen sterk in de meerderheid zijn. Er moeten heel wat reservesleutels rondlopen.
Gestresste jongen blaast op een fluitje (nee, echt!) en dat is blijkbaar het teken dat het spel begonnen is, want iedereen begint rond te kijken naar een slachtoffer dat er een beetje interessant uitziet. Ik zie dat die Anne meteen op Hugo afstormt. Op zich maakt dat me niet uit; ik ga natuurlijk eerst met een paar andere jongens praten, en dan pas met Hugo. Maar ik hoop niet dat die Anne denkt dat zíj hem vanavond gaat versieren ofzo. Of misschien hebben ze zelfs al wel wat! bedenk ik opeens geschrokken. Waarom heb ik niet eerder bij die mogelijkheid stilgestaan? Nou ja, dat is van later zorg. Eerst maar eens een paar gesprekjes overleven en kijken hoe snel ik Hugo om mijn vinger gewonden krijg.
,,Ik hoop niet dat het nu al meteen past, dan is de lol eraf,” hoor ik een stem naast me. Ik kijk opzij. De stem hoort bij een lange jongen met donkerblonde krullen. Ook niet verkeerd, moet ik zeggen. ,,Zullen we het dan gewoon niet proberen?” stel ik voor. Hij kijkt me een beetje beteuterd aan. ,,Dan hebben we straks nog een keer een excuus om te praten,” voeg ik er grijnzend aan toe. Ik zie aan zijn gezicht dat hij opgelucht is. Hij dacht vast dat ik bedoelde dat ik niet met hem wil praten of zoiets. Wat schattig. Het is alleen wel een beetje jammer dat we geen van beiden lijken te weten wat we nu moeten zeggen. ,,Eh…vind je het leuk hier?” vraagt hij na een pijnlijke stilte. ,,Tot nu toe wel,” antwoord ik inspiratieloos. ,,Jij?” ,,Ik ook,” zegt hij. Het is weer stil. ,,Goed, ik ga het volgende sleuteltje zoeken,” zegt hij dan, en loopt weg. Pfew. Raar hoe je sommige mensen gewoon niks te vertellen hebt. Opeens bedenk ik dat hij straks nog terugkomt. Nou ja, hopelijk heeft hij voor die tijd het passende sleuteltje wel gevonden.
Een half uur, twee wijntjes, zeven niet passende slotjes en dus zeven saaie gesprekjes later besluit ik me maar eens op Hugo te gaan storten. Anne heeft hem even vrijgelaten en staat nu bij de bar op haar beurt te wachten. Dat werd wel eens tijd, zeg. Ik heb haar alleen nog maar bij Hugo zien hangen. Volgens mij snapt ze de bedoeling van dit spel niet helemaal. En dat noemt zich dan mentor, pfff. Maar goed, ze is even weg en dat is mooi, want dat betekent dat ik nu mijn kans kan grijpen. Heupwiegend loop ik op Hugo af. ,,Zo, eens even kijken of jij past.” Ik laat mijn hand even in zijn nek rusten voor ik zijn slotje pak. Ik knipoog. Jezus, het kan hem bijna niet ontgaan, maar hij geeft weinig respons. Om wraak te nemen doe ik alsof ik mijn sleuteltje niet los krijg en geef ik een harde ruk aan het touwtje van zijn slotje. ,,Auw!” roept hij. ,,Ik kan ook stuk, hoor!” Hij grijnst scheef. Auw, hij is zo mooi dat het bijna pijn doet. ,,Sorry,” glimlach ik deemoedig. ,,We passen niet. Jammer.” Ik geloof dat hij het nu eindelijk doorheeft. ,,Hoezo jammer?” vraagt hij. Ik laat een guitig lachje zien. ,,Ik vond ons wel een mooie match.” Te laat besef ik hoe ontzettend cheesy dit klinkt. Hugo grinnikt. Het klinkt nogal verbijsterd. Logisch wel; zo’n frontale aanval had hij waarschijnlijk niet verwacht. Ik besluit dat het tijd is om weg te wezen. Als ik er nu elegant vandoor ga, heb ik nog een kans om hem later op de avond te versieren. Goh, ik ben echt in vorm. ,,Op naar de volgende dan maar,” zeg ik semi-nonchalant. ,,Doei doei.” Voor hij zelfs maar de kans heeft gekregen om iets terug te zeggen, ben ik verdwenen.
,,En? En? En?” Max staat opeens te springen voor mijn neus. ,,Ik zag je met hem praten! Hoe ging het?” Ik rimpel mijn neus. Niet bepaald een aantrekkelijk gezicht, ik weet het, maar ach, Max is toch homo. ,,Beroerd,” zeg ik. ,,Eerst snapte hij niet dat ik hem aan het versieren was, en toen maakte ik het zo niet-subtiel duidelijk dat hij me stomverbaasd aan stond te kijken. Toen ben ik er vandoor gegaan.” ,,Arme meid,” leeft Max met me mee. ,,Is het zo erg dat je hem de rest van de week niet meer onder ogen kunt komen?”
,,Als het straks weer zo gaat, ja, dan wel,” zeg ik, terwijl ik mijn sleutel omdraai in Max’ slotje. Het slotje geeft een zacht klikje en springt open. ,,Hé, jij bent mijn match!” roepen we allebei tegelijk. ,,Gelukkig maar,” zeg ik opgelucht. ,,Dan hoef ik niet meer met die saaie jongen te praten. Die zou nog terugkomen, omdat de lol eraf zou zijn als hij het eerste slotje meteen open kreeg.” Max rolt met zijn ogen. ,,Eerst was ik daar een voorstander van,” voeg ik eraan toe, om de jongen niet al teveel tekort te doen. ,,Maar we hadden elkaar geen ruk te zeggen.” Hij grinnikt. ,,Zullen we naar buiten gaan en doen alsof we gaan roken?” stelt hij voor. ,,Goed plan,” zeg ik. ,,Even weg van al die idioten hier.” Gearmd, alsof we al jaren vrienden zijn, lopen we naar buiten.
4. Kilian
,,Oké, mag ik even de aandacht!” Ik probeer uit alle macht boven het geschreeuw van de brugklassers uit te komen. Wat een rotklas is dit. En nu kennen ze elkaar pas net en zijn er nog geen populaire groepjes gevormd. Dat belooft nog wat. Ik moet ze nu direct laten zien wie er hier de baas is, anders lopen ze de rest van het jaar over me heen. Of misschien doen ze dat nu al. Alleen twee meisjes vooraan zijn stil geworden nadat ik heb geroepen. Ik zie dat ze hun conversatie nu op briefjes voortzettend. Hmm. Not good.
,,Mag ik even de aandacht, zei ik!” bulder ik opnieuw. ,,Neuj!” roept een jongetje met een rood Ferrari-petje brutaal. ,,Ik dacht het wel!” roep ik terug, maar ik hoor dat het al wat zwakker klinkt. Verdomme. Door mijn hoofd flitsen beelden van leuke, speelse leraren, die zo’n ettertje gewoon een eindje door de klas heen sleuren, aan zijn oren of aan de klep van zijn petje, onder aanmoedigend gejoel van de rest van de klas. Ik kan dat niet. Ik ben niet zo’n speelse leraar. Ik heb altijd moeite gehad met het stil krijgen van lawaaïge kinderen. Ook mijn stagebegeleidster zei het, op haar eigen subtiele manier: ,,Kilian, je kan fantastisch uitleggen, het is alleen jammer dat er geen hond naar luistert.” Het mag bijna een wonder heten dat ik uiteindelijk afgestudeerd ben, en dat ik nu een vaste baan heb. Ik geef Engels aan de onderbouw, op een middelbare school waar jongeren uit een paar kleine dorpjes naartoe gaan. Rustige, landelijke omgeving, rustige school. Dacht ik. Valt dat even tegen.
Ik pak het eerste boek dat ik zie en geef een harde mep op de dichtstbijzijnde lege tafel. Eindelijk; het werkt. ,,Vanaf nu wil ik NIEMAND meer horen,” zeg ik zo dreigend als ik kan. ,,Anders heb ik meteen de eerste les al een paar leuke straffen voor jullie klaarliggen.” ,,Wat dan, meneer?” vraagt het Ferrari-petje.
,,Dat zie je dan wel weer.”
Na drie kwartier lang haperende stemmetjes een Engels verhaaltje te hebben horen voorlezen, ben ik kapot. Ik ben blij als de bel gaat. Hierna heb ik gymnasium 3. Die zijn hopelijk wat rustiger. Gelukkig heb ik nu eerst pauze. Ik moet wel surveilleren, dat is dan weer jammer. Ik moest op mijn stageadres ook weleens surveilleren, en ik heb er altijd een pesthekel aan gehad. Daar sta je dan met je bekertje koffie en je lullige boterhammetjes, zogenaamd om ervoor te zorgen dat de leerlingen geen rotjes gaan afsteken of elkaar bewusteloos gaan slaan. De waarheid is, dat als een leerling een rotje wil afsteken, jij daar als surveillant pas achterkomt als het rotje afgaat. Zo slim zijn ze wel. En als het rotje is afgegaan, staan er steevast minstens twintig schreeuwende jongetjes omheen, dus de dader pakken is pratisch onmogelijk. Ze dekken elkaar toch allemaal. Hetzelfde verhaal geldt voor het vechten trouwens. Brugklassers kan ik nog wel uit elkaar halen, maar zie je mij al tussen twee potige derdeklassers springen? Ik dacht het toch niet. Maar goed, ik probeer maar uit te stralen dat er met mij niet te spotten valt en ik hoop dat ze elkaar in de buurt van een andere surveillant in elkaar slaan.
Terwijl ik met lange tanden een fantasieloos boterhammetje met kaas eet – ik voel me al echt een leraar – kijk ik stiekem uit naar het mooie blonde meisje dat me gisteren de weg wees. Verdomd jammer dat zij een leerling is. Leerlingen zijn honderd procent verboden terrein, heeft de directrice me duidelijk gemaakt toen ik hier aangenomen werd. Ik weet het nog precies. Het gesprek was officieel al afgelopen, maar ze keek me een beetje moeilijk aan en ik wist dat er een addertje onder het gras tevoorschijn zou gaan komen. ,,Luister, Kilian…” begon ze. ,,Je moet dit niet verkeerd opvatten, maar je bent een knappe jongeman… ik wil voor de zekerheid toch even duidelijk stellen dat het streng verboden is een eh… intieme band met een leerling op te bouwen. Dat begrijp je toch wel?” Ze formuleerde het zo onduidelijk als maar kon, maar ik begreep precies wat ze bedoelde. ,,Dat spreekt toch vanzelf, mevrouw,” slijmde ik. En het sprak ook vanzelf. Toch betrapte ik mezelf erop dat ik even dacht: hè, jammer. Gelukkig kan onze directrice nog steeds geen gedachten lezen. Ze klapte haar map dicht. ,,Mooi zo, Kilian,” zei ze opgetogen. ,,Je lijkt me een aanwinst voor het team en het zou toch jammer zijn als we je moesten ontslaan.”
En hier sta ik dan. Mijn eerste echte werkdag, en ik sta te dromen over een mooie, blonde zesdeklasser. Nou ja, als het bij dromen blijft is dat natuurlijk geen misdaad. Kom nou, ik ben een man. Als ik een knappe meid zie, is het toch logisch dat ik haar daarna nog een keer wil zien? Ik doe er verder toch niks mee. ,,Maar waarom heb je haar dan niet verteld dat je hier leraar bent?” zegt een stemmetje in mijn hoofd. ,,Waarom heb je haar in de waan gelaten dat je een verdwaalde leerling was?” Nou ja, logisch wel eigenlijk, zeg ik tegen mezelf. Leraar klinkt zo saai, zo stoffig. Onaantrekkelijk. Mysterieuze vreemdeling klinkt daarentegen interessant. Meisjes houden van mysterieuze vreemdelingen. Maar ik moet streng voor mezelf zijn. Dit meisje is een leerling. En niet eens mijn leerling. Ik moet haar met rust laten. Als ik hier ontslagen zou worden, zou ik wel kunnen kappen met lesgeven. Ontslagen wegens ongepast gedrag met leerlingen. Dan kom ik nergens meer aan de bak.
Gelukkig gaat dan de bel. Tijd voor gymnasium drie. Ik ban het mooie blonde meisje uit mijn gedachten, en loop terug naar mijn lokaal.
5. Reina
Eindelijk gaat de bel. Ik dacht dat het er nooit van zou komen. Snel prop ik mijn spullen in mijn tas. Ik heb mijn eerste schooldag overleefd. De eerste dag van mijn nieuwe, eenzame leven zonder Pat. En of ik me eenzaam gevoeld heb. Zoals ik al voorspeld had, praatte iedereen in de klas met elkaar en werd ik zo’n beetje genegeerd. Niet één keer kwam er iemand naast me zitten. Ze gingen allemaal naast degene zitten waar ze vorig jaar ook naast zaten bij dat vak, “want dat was zo lachen”. En geef ze eens ongelijk. Pat en ik zaten ook altijd naast elkaar. Maar die tijd is voorbij. Voorgoed. We zullen nooit meer naast elkaar in de klas zitten, nooit meer briefjes in geheimtaal naar elkaar schrijven, nooit meer gefluisterde gesprekken voeren, nooit meer uit elkaar gezet worden door een geïrriteerde leraar. Ik vraag me af of ik in deze klas ooit met iemand zal praten. Op dit moment lijkt het daar niet op.
Ik besluit dat ik dringend een beetje winkeltherapie nodig heb. Gewoon om mezelf een beetje op te vrolijken. En misschien durf ik morgen wel met iemand te praten als ik een leuk nieuw shirtje of mooie nieuwe laarzen heb.
Als ik mijn jas uit mijn kluisje haal, zie ik de nieuwe jongen langslopen. De jongen die ik gisteren de weg gewezen heb. De jongen die zo verdomd eigenwijs was en gewoon bij het lokaal bleef staan waarvan ik zeker wist dat hij er niet moest zijn. Wie zit hier nou al zes jaar op school? Wijsneus. Maar, toegegeven, lelijk is hij zeker niet. Eigenlijk best jammer dat hij uiteindelijk toch niet in mijn klas is gekomen. Maar goed, hij vond me blijkbaar toch niet aardig, anders had hij wel geluisterd naar wat ik zei. Als hij iets in me had gezien, was hij wel mee terug gelopen. Had hij een mooi excuus gehad om nog even verder te praten. Maar dat wilde hij dus niet. Ik heb mijn eerste sociale blunder van dit jaar alweer gemaakt.
Plotseling kijkt de knappe nieuwe jongen mijn kant op. Ik knik naar hem. Hij knikt koeltjes terug. Dan loopt hij snel verder. Wat een ijskonijn. Die zal ook niet veel vrienden gemaakt hebben op z’n eerste dag. Ik trek langzaam mijn jas aan. God, wat mis ik nu iemand om mee te praten. Ik moet morgen echt een beetje gaan socializen met mijn klasgenoten, want dit hou ik geen jaar vol. Zal ik gewoon op de nieuwe jongen afstappen en vragen hoe zijn eerste dag was? Nee, Reina, néé! Hij heeft je afgewezen. Geef hem alsjeblieft niet de kans om dat nog een keer te doen. Ik slinger mijn tas over mijn schouder en loop snel de school uit, voor ik me bedenk.
Het is rustig in het stadje. Ik loop de eerste de beste Vero Moda binnen die ik zie. Ik ga mezelf eens even lekker troosten. Dat heb ik wel verdiend. En ik heb toch zat geld verdiend met mijn vakantiebaantje bij de ijssalon. Ik pak alles wat me leuk lijkt: drie shirtjes, twee rokken, twee spijkerbroeken, een vestje en een jasje. Met een enorme stapel kleding in mijn handen loop ik naar de paskamers. Ik heb geen idee of je eigenlijk wel zoveel in een hokje mag meenemen. Maar het kan me niks schelen. Hebben, hebben, hebben, is het enige wat ik denk.
Tien minuten later sta ik bij de kassa met twee van de drie shirtjes, allebei de rokken, één van de broeken en het jasje. Ik aai tevreden over de zachte stof van een shirtje. Deze kleding sleept me er wel doorheen. Als ik morgen hierin de klas binnenkom, moet het wel opvallen hoe cool ik ben. En de nieuwe jongen zal er ook wel spijt van krijgen dat hij mij heeft laten lopen. Nou, pech gehad. Hij heeft het verpest.
Als ik buiten sta met een volle tas, bedenk ik dat het eigenlijk best zonde is dat ik nu maar één winkel ben geweest. Ik moet eigenlijk ook nog even bij Esprit kijken. Wie weet wat ik anders misloop.
Een kwartier later sta ik bij de kassa van Esprit met twee truien, een shirtje en een broek. Ik schrik wel even als ik het bedrag zie dat ik moet pinnen. Maar ach, ik heb toch vier weken gewerkt. Zo’n uitspatting kan ik echt wel betalen.
Met twee uitpuilende plastic tassen stap ik op de fiets. Aan elke kant van het stuur heb ik er één gehangen. Tijdens het fietsen botsen mijn knieën er steeds tegenaan. Als ik het tuinpad oprijd, zie ik mijn moeder verbaasd naar me kijken vanuit de woonkamer. ,,Mijn God, Reina, wat heb je nou toch allemaal gekocht?” roept ze uit zodra ik binnen gehoorafstand ben. ,,Gewoon. Kleren,” zeg ik onverschillig. Ik merk dat ik geen zin heb om alles helemaal te gaan laten zien. Gek genoeg voel ik me een beetje schuldig. Ik heb tenslotte wel héél veel geld uitgegeven…maar dat moet toch wel een keertje kunnen? ,,Ik ben een beetje uitgeschoten,” verklaar ik. ,,Ik was niet van plan hier een gewoonte van te gaan maken, hoor.” Ik probeer erbij te lachen, maar ik hoor hoe nep het klinkt.
Ik neem mijn nieuwe aanwinsten mee naar mijn kamer, spreid ze uit op mijn bed en knip overal de kaartjes af, net als ik normaal altijd doe. Alleen doe ik er dit keer wat langer over. Ik heb zoveel gekocht, dat ik er eigenlijk helemaal niet blij mee ben. Drie shirtjes, twee rokken, twee broeken, twee truien en een jasje. Voor mijn doen is dat echt bizar veel. Nou ja, je hebt het nou gekocht, dus wees er nou maar tevreden mee, zeg ik tegen mezelf. En de volgende keer wat rustiger aan doen. Ik besluit dat ik morgen naar school de bruine strokenrok met het zwarte shirtje aandoe.
6. Pat
Gebonk op de deur. ,,Mentorkindjes opstaan!” ,,Ze zouden die term moeten afschaffen,” kreunt Max. Nog geen twee seconden wakker en nu al een volzin; ik heb bewondering voor hem. Ik murmel wat. Met een enorme krachtinspanning weet ik de pols waar mijn horloge omheen zit in de buurt van mijn ogen te brengen. Half acht. Wat een onmensen hier.
De twee meisjes waarmee we ons slaaphokje delen springen uit bed en beginnen ijverig hun kleren en toiletspullen bij elkaar te zoeken. Ze zitten in ons groepje, maar we hebben eigenlijk geen idee wie ze zijn. We krijgen niet echt contact met ze. Ik geloof dat ze elkaar al kenden, dus daar zal het wel aan liggen. ,,Hebben jullie er zin in ofzo?” vraagt Max. ,,Ik wel!” zegt één van de meisjes enthousiast. ,,Ja, het wordt vast lachen!” zegt de andere. Dan huppelen ze met hun spulletjes richting douches. ,,Ik weet niet wat zij gebruiken, maar ik wil het ook,” gromt Max. Ik lach. ,,Ach, ze hebben het vast niet laat gemaakt gisteravond.” ,,Wij wel hè…?” zegt hij. Ik knik bevestigend. ,,Ja, daar kunnen we helaas niet onderuit. We hebben het compleet, totaal, onherroepelijk laat gemaakt.” Max trekt zijn slaapzak over zijn hoofd. ,,Ik heb het gevoel dat ik niet alles meer weet,” komt er gesmoord onder vandaan. ,,Je hebt schaamteloos geflirt met die ene jongen van groepje zeven,” help ik hem herinneren. ,,En je hebt mijn advies heel goed opgevolgd. Net toen het leek alsof hij je wilde gaan zoenen, viel je in slaap, met je hoofd op de tafel.”
,,Ooooooh…” zegt Max’ slaapzak. ,,Nou weet ik het weer! Wat erg!”
,,Ach, die gozer was zelf ook behoorlijk ver heen, hoor,” troost ik hem. ,,Straks kunnen jullie er vast om lachen. En dat zoenen komt er heus nog wel van.”
De slaapzak haalt zijn schouders op en zegt: ,,Dat weet ik zonet nog niet. Hij vindt me vast vréselijk!” ,,Nee joh,” probeer ik hem gerust te stellen. ,,Het was vier uur! Iedereen die er nog zat, was dronken en slaperig. Het zou me niks verbazen als er daadwerkelijk mensen daar hebben geslapen.” Max steekt zijn hoofd boven zijn slaapzak uit en giechelt. ,,Zullen we gaan kijken?”
,,Goed plan! Mensen uitlachen, er is geen beter begin van de dag!”
We trekken onze schoenen aan en lopen naar buiten, naar het zaaltje aan de overkant van het grasveld. Voorzichtig doet Max de deur open. Ik kan mijn geluk bijna niet op. Daar ligt Hugo, onderuitgezakt op een klapstoeltje. Net als ik hem wil gaan wakker maken, herinner ik me opeens míjn gisteravond. Hoe kon ik dat vergeten?
Na mijn mislukte versierpoging bij het sleuteltjesspel, heb ik Hugo expres een paar uur gemeden. Pas toen het echt laat begon te worden en er nog maar een klein groepje in het zaaltje zat, ging ik naast hem zitten. Natuurlijk zat Anne aan de andere kant. Hij praatte de hele tijd met haar. Ik zat daar maar wat. Het was om gek van te worden. Max staakte soms zelfs even zijn geflirt om me een waarschuwende blik toe te werpen. Zo’n Pat-doe-dat-nou-niet-blik. Maar ik wilde het niet opgeven. Mijn heil ergens anders gaan zoeken zou hetzelfde zijn als toegeven dat ik verloren had, en hem dus regelrecht in de grijpgrage klauwen van Anne drijven. Dat was ik niet van plan, dus ik bleef koppig zitten. Gelukkig had Anne nogal wat gedronken. Het duurde dus niet zo heel erg lang voor ze naar de wc ging. Ik greep mijn kans. Ik tikte hem op de schouder. ,,Zeg, hebben jullie soms wat?” Ja, ik weet het, de directe aanpak. Met een beetje drank op ben ik nóg directer. Hij keek me verrast aan. ,,Jij bent ook niet op je bekkie gevallen, hè?” omzeilde hij mijn vraag. Daar trapte ik mooi niet in. ,,Nou?” Hij grinnikte. ,,Eerlijk, ik zou het niet weten. Anne wil het wel, denk ik. Maar ik weet niet of ik me wel wil binden.” Met mij zou je dat wel willen, reken maar, dacht ik. Maar ik glimlachte subtiel. ,,Aha.” Toen kwam Anne alweer naar binnen banjeren. Moment verpest. Ze eiste hem meteen weer helemaal voor zichzelf op en hij protesteerde niet. Net toen ik aan het bedenken was of ik nog zou blijven zitten, zoende ze hem. Waar iedereen bij was! En ik zat er als het debiele neefje naast. Wat een afgang. Gelukkig viel Max toen net plompverloren in slaap, dus alle aandacht ging naar hem en ik had een mooi excuus om op te staan. ,,Kom op Max, we gaan tukken,” zei ik kordaat, schudde hem heen en weer. ,,Ja… goed idee…” zei hij lodderig en dronken. Ik sloeg mijn arm om hem heen en sleepte hem zo’n beetje naar ons slaaphokje. Dat was mijn gisteravond.
En daar ligt Hugo nou te pitten. Anne is gelukkig nergens te bekennen. Misschien is zij wel degene die ons wakker geschreeuwd heeft. Zo’n kampbeul-typje lijkt ze me wel. ,,Oooh, nu kun je hem mooi wakker maken!” sist Max opgetogen. Blijkbaar herinnert hij zich ook niet hoe het mij gisteravond vergaan is. ,,Nee,” fluister ik terug. ,,Dat mag Anne doen. Ik ga me aankleden.”
Ik draai me om en been over het grasveld terug naar ons gebouw.
7. Reina
,,Wow, wat heb jij een mooie rok aan!” Ik draai me om. Joepie, denk ik, mijn rok wérkt. ,,Dankjewel,” zeg ik tegen het meisje dat het gezegd heeft. Ze glimlacht vriendelijk. Ik ken haar wel van gezicht. Ze had vorig jaar een vrij grote rol in de schoolmusical. Niet dat ik jaloers op haar was of zoiets. Ik heb meegeholpen met het schilderen van de decors, en dat vond ik geweldig. Er komen meteen allemaal goeie herinneringen bij me naar boven.
,,Lullig dat je gezakt bent,” zegt het meisje. ,,Tenminste, jij zat vorig jaar toch ook in VWO 6?” Ik knik. ,,Ja, het is best kut,” beaam ik. ,,Vooral omdat jullie elkaar allemaal al kennen.” Ze haalt haar schouders op. ,,Oh, maak je daar maar geen zorgen over, hoor. De meesten kennen elkaar toch maar oppervlakkig. Ik bedoel, op een dag als dit, als Moira er niet is, merk ik pas hoe weinig ik eigenlijk met de anderen heb.” ,,En dan ga je maar met de vreemde eend in de bijt praten,” grap ik. ,,Precies,” zegt ze. ,,Ik hou van vreemde eenden in de bijt. Kom erbij zitten!” Dankbaar schuif ik aan. Ik liep me al de hele morgen af te vragen wat ik met mijn tussenuur zou gaan doen. ,,Sorry, ik ben heel slecht in namen,” beken ik, terwijl ik voor de vorm een boek en mijn schrijfblok uit mijn tas haal. ,,Hoe heette je ook alweer?” ,,May,” zegt ze.
Ik lach bewonderend. ,,May en Moira, wow!” May lacht ook, een beetje zelfvoldaan. ,,Ik weet het, ik weet het. Alleen al om onze namen willen jongens een trio met ons.” Ze zegt het alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Mijn God.
May steekt relaxed een sigaret op, ook al mag je in de kantine absoluut niet roken. ,,Wat was je gaan studeren als je geslaagd was?” vraagt ze. ,,Nederlands,” antwoord ik. ,,Samen met Pat, mijn beste vriendin. Pat heeft nu in haar eentje de introductie.” May grinnikt. ,,Pat, dat is toch die met die krullen? Die vorig jaar zo’n bonje had met Stevensen?” Ik knik. ,,Tegenpolen, ik weet het.” May neemt een bedachtzaam trekje van haar sigaret. ,,Ik denk niet dat die nu “in haar eentje” is. Volgens mij heeft zij meteen massa’s mensen om zich heen.” Ik voel een steekje vanbinnen. ,,Ze kan best verlegen zijn, hoor. Ze houdt niet zo van vreemde mensen.” May schudt haar hoofd. ,,Bij zo’n intro gaat dat anders. Dan is iedereen vreemd voor elkaar, en dus gaat iedereen meteen heel familiair met elkaar om. Zelfs écht verlegen mensen zijn dan niet zo verlegen.” Ik haal mijn wenkbrauwen op. ,,Volgend jaar psychologie?” raad ik. May lacht. Ze gooit haar hoofd in haar nek als ze moet lachen, valt me op. ,,Alsjeblieft niet, zeg! Nee, volgend jaar wordt het modeacademie. Als ik word toegelaten, tenminste.” ,,Oh my God, wat gaaf!” roep ik uit. Ik voel me meteen vereerd. May is ongetwijfeld het coolste meisje van de klas, en wil haar tussenuur met míj doorbrengen. Misschien gaat het toch nog wel wat worden met dit schooljaar.
Als de bel voor het volgende uur gaat, heb ik een paar van Mays ontwerpen gezien en weet ik alles over haar broer, de vriendin van haar broer, haar ex en de ex daarvoor. Ik op mijn beurt heb verteld over mijn liefde voor tekenen en schilderen, over Pat, over mijn ex en over de knappe, maar stomme, nieuwe jongen. ,,Damn, wat een arro,” zei May over de laatste. ,,Ik hoop dat ie daar lekker voor lul heeft gestaan tussen de tweedeklassers.”
We lopen samen naar Engels en gaan naast elkaar zitten alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Stiekem hoop ik dat we het hele jaar dezelfde plaatsen moeten houden. De leraar, meneer van Zijl, houdt niet bepaald van variatie. ,,We gaan beginnen met de les!” roept hij, zodra iedereen zit. May kreunt. Meneer van Zijl rommelt op zijn bureau. ,,Hè, volgens mij heb ik mijn boek in het lokaal hiernaast laten liggen. Reina, zou jij die even willen halen?”
Wat fláuw. Omdat ik de enige ben van wie hij de naam weet, word ik weer voor het karretje gespannen. Waarom kan hij dat stomme boek niet zelf even halen? Zuchtend sta ik op.
Als ik de gang op kom, schrik ik. Voor de deur van het lokaal waar ik moet zijn, staat de nieuwe jongen. ,,Zo, ben je eruit gestuurd?” grap ik. Ik zie dat hij evenveel van mij geschrokken is als ik van hem. Ik strijk over mijn rok en recht mijn rug. ,,Eh, nee,” hakkelt hij. ,,Ik, eh, ik moest wat hebben. Maar de leraar is er niet.” ,,Ja ja!” plaag ik. ,,Dat zou ik ook zeggen. Nou, dan loop je toch gewoon even naar binnen. Kom, we gaan wel samen.” ,,Nee!” zegt hij. Hij probeert me tegen te houden. Wat is er mis met die jongen?! Geïrriteerd kijk ik hem aan. ,,Nou, goed dan, blijf maar hier. Maar ík ga gewoon naar binnen.”
,,Ik weet niet zo goed de weg in het lokaal,” zegt hij. ,,Kun je voor mij dan meteen een, eh, een woordenboek meenemen?” ,,Die staan op de kast,” zeg ik ijzig. ,,Die kun je vanuit hier zien, man. Kom op, je bent toch niet bang voor een paar derdeklassertjes?” De jongen zucht. ,,Je kunt er toch wel even snel eentje meenemen?” Ik bedenk dat meneer van Zijl inmiddels wel ongeduldig zal zijn, dus ik stem toe, om van het gezeur af te zijn. Ik pak het boek van het bureau en een woordenboek van de kast. ,,Alsjeblieft.” Ik duw het boek in zijn handen. Dan loop ik snel mijn eigen lokaal weer in. Mijn God, wat een freak. Ik ben er nog steeds niet achter in welke klas hij nou zit, maar ik kan alleen maar blij zijn dat het niet de mijne is.
8. Kilian
Ik heb zin om met mijn kop tegen de muur te bonken. Macabere fantasiebeelden over op de grond druipende hersenen nemen mijn gedachten in beslag. Dat wens ik mezelf nu toe. Nou ja, dat wens ik dat rund toe dat opeens de plaats van de oude Kilian heeft ingenomen. Oké, van het mooie meisje uit VWO 6 zal ik vanaf nu waarschijnlijk geen last meer hebben. Maar ik heb me wel onsterfelijk belachelijk gemaakt. Ze zal wel denken dat ik niet helemaal spoor ofzo. En kun je het haar kwalijk nemen? Ik gedroeg me als een eersteklas debiel. Waarom ben ik niet gewoon met haar mee naar binnen gelopen? Waarom heb ik dat risico niet genomen? Hoe groot was de kans nou helemaal geweest dat er eentje “hé meneer” had geroepen?! En al wás dat gebeurd, dan had ik altijd nog kunnen doen alsof het een flauw grapje was. Maar nee hoor, Kilian het mietje durfde het weer eens niet aan. En nu denkt het mooiste meisje van de school dat ik getikt ben. Leuk hoor. Leuk.
Ik reageer mijn vernedering af op de arme derdeklassers. Ik zet alle gezellige koppeltjes uit elkaar en zorg dat iedereen een permanente plek krijgt naast iemand waar hij of zij weinig mee heeft. Dan geef ik een onverwachte SO, om te kijken hoe ver ze zijn. Ik stuur er twee zonder waarschuwing vooraf de klas uit, omdat de één bij de ander zit te spieken. Ik geef ze allebei een 1.
Zodra de bel gaat en ze op de gang lopen, hoor ik hoe ze losbarsten. ,,Wat een teringlijer!” ,,Moeten we het hier het hele jaar mee doen?!” ,,Het is gewoon een sadist!” ,,Inderdaad!” Goed zo, Kilian, denk ik bij mezelf. Eén iemand denkt dat je gek bent en vijfentwintig anderen denken dat je een sadist bent. Goed gedaan.
Het knappe meisje is me waarschijnlijk allang weer vergeten, maar ik kan mijn blunder niet loslaten. Het blijft maar door mijn hoofd spoken. Nóg twee onderbouwklassen moeten het ontgelden. Het jongetje met het Ferrari-petje dat gisteren ook al zo brutaal was, stuur ik naar de conrector. Twee giechelende tweedeklassers moeten het schoolplein vegen. Ik geloof niet dat ik bezig ben een leuk imago op te bouwen.
Als nóg een klas razend en tierend mijn lokaal heeft verlaten, besluit ik dat er maar één ding op zit om weer de oude aardige meester Kilian te worden: ik moet het mooie meisje mijn excuses gaan aanbieden. Zeggen dat ik echt niet gek ben, maar gewoon heel verlegen, en dat ik niet goed tegen grote groepen kan. Een beetje zielig doen werkt perfect bij meisjes, zegt mijn beste vriend Tom altijd. Ik heb daar nooit echt gebruik van willen maken, maar nu kan ik niet anders. Straks word ik nog ontslagen omdat ik te streng ben! Dat moet ik natuurlijk zien te voorkomen.
Alsof ik zelf weer op de middelbare school zit, hang ik na mijn zesde uur wat doelloos rond ik de kantine, in de hoop dat ik haar tegenkom. Net als ik me begin af te vragen hoeveel langer ik nog geboeid naar de snoepautomaat kan kijken, zie ik haar. Ze staat bij haar kluisje met een vriendin. Waarom moet alles altijd samen? Kunnen die meiden dan nooit iets alleen? Dan bedenk ik dat het meisje maandag vertelde dat ze nog niemand kende in haar klas. Ik ben blij voor haar dat ze blijkbaar iemand heeft gevonden.
Ik roep nog even semi-dreigend “Hé!” naar een paar brugklassers die lijken te willen gaan vechten, en dan zie ik de vriendin van het mooie meisje gelukkig weglopen. Zogenaamd nonchalant loop ik naar haar toe. ,,Hoi.” Ze draait zich om en rolt nog net niet met haar ogen. ,,Hoi,” zegt ze, met duidelijk hoorbare tegenzin. Ik haal diep adem. Ik haat mijn excuses aanbieden. ,,Hetspijtmevanvanmorgen,” flap ik eruit. ,,Ik bedoel, eh, ik wil niet dat je denkt dat ik gek ben ofzo. Ik ben gewoon, eh, heel verlegen. Ik kan niet goed tegen… tegen grote groepen.” Perfect, denk ik kwaad bij mezelf. Met dat gehakkel lijk je inderdaad heel zielig. Je hoeft ook weer niet autistisch te lijken. ,,Niet dat ik autistisch ben hoor,” voeg ik aan mijn betoog toe. Ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan. Ik maak het alleen maar erger. Gelukkig grinnikt ze. ,,Geeft niet hoor. Ik kan me voorstellen dat je een beetje de kat uit de boom kijkt als je nieuw bent.” ,,Inderdaad,” zeg ik opgelucht.
Er loopt een groepje derdeklassers langs. ,,Dat is die sadist,” zegt eentje hard. Het bloed schiet naar mijn wangen. Ik haat pubers. Heb ik mezelf er net een beetje uit weten te praten, verpesten ze het weer. Het meisje lacht. ,,Waar slaat dat nou weer op? Heb je ze soms gemarteld?” Ik speel de vermoorde onschuld. ,,Nee, ik heb geen idee, ik heb ze nog nooit gezien.” Ze haalt haar schouders op. ,,Dan bedoelden ze zeker iemand anders.” Stiekem haal ik opgelucht adem. ,,Ja, dat zal het wel zijn.” Ze trekt haar jas aan. ,,Ik ga er vandoor,” zegt ze. ,,Heb jij nog les?” ,,Eh, nee,” zeg ik. ,,Ik ga ook zo. Ik wacht nog even op een vriend.” Ze knikt. ,,Oké. Dan zie ik je wel weer.” ,,Ja,” zeg ik. Ik wil nog “doei” zeggen, maar ze is al weg. Als ik haar door de klapdeuren zie gaan, bedenk ik me opeens dat ik nog steeds geen idee heb hoe ze heet.
9. Pat
Ik hang tegen de muur, slobber een zoveelste glaasje wijn naar binnen en geeuw. Ik ben kapot. Dit is de laatste avond, het fantastische “slotfeest” waar alle mentoren al de hele week over lopen te flippen. Maar helaas is het nogal een dooie boel. Na drie dagen lang overdag debiele spelletjes doen en ’s avonds feesten is niemand nog veel waard. Alleen de mentor van groepje twaalf loopt vrolijk rond te springen, maar die schijnt ADHD te hebben.
Een stukje verderop staat Max te zoenen met de jongen van groepje zeven. Eindelijk, zeg. Gisteravond hebben ze ook de hele avond om elkaar heen lopen draaien. Ik ben blij voor Max, en ik ben ook blij voor mezelf: nu ben ik tenminste van zijn “hij vindt me vast vreselijk”-gezeur af.
Ik neem nog een slok wijn en bekijk de mensen een beetje, alsof ik die koppen nog niet genoeg gezien heb de afgelopen dagen. De jongen met de krullen die bij het Meet Your Match-feest als eerste op me afkwam, danst intiem met een meisje met morsdood geblondeerd haar. Ik spot Boudewina met een klein roodharig mannetje. Zo weinig jongens, en toch zoveel stelletjes. Waarom is het mij nou weer niet gelukt? Ik voel me heel eenzaam opeens. Ik neem de laatste slok van mijn wijn en besluit naar bed te gaan. Het wordt niks meer met deze avond, en ik ben niet van plan wanhopig te blijven wachten tot het misschien toch opeens weer leuk wordt. Inmiddels weet ik wel dat de kans dat dat gebeurt nihil is.
,,Zo, nu al naar bed?” Ik maak een sprongetje van schrik als ik opeens een stem in het donker hoor. Ik kijk opzij. Daar zit Hugo, in z’n eentje, in kleermakerszit op het vochtige gras. Hij rookt. Ik kijk hoe de rook omhoog kringelt. ,,Ja, ik vond er niet meer zoveel aan,” antwoord ik met tegenzin. Sinds dinsdagavond heb ik Hugo een beetje ontweken, en als ik hem dan moest zien, heb ik me zo neutraal mogelijk opgesteld. Ik schaam me nog steeds. Het blijft vreselijk om een blauwtje te lopen. Ik heb zin om te vragen of hij even naar buiten mocht van mevrouw de cipier, maar ik hou wijselijk mijn mond.
,,Ik mocht even naar buiten van mevrouw de cipier,” zegt hij. Mijn mond valt open. Kan die jongen gedachten lezen?! Of zijn we stiekem toch soulmates?
,,Aha,” weet ik uit te brengen. Hugo blaast een perfect kringetje. ,,Ik hoor dit natuurlijk niet tegen jou te zeggen, maar ik word echt een beetje gek van dat mens. Ze doet alsof ik haar bezit ben ofzo.” ,,Dan moet je dat tegen haar zeggen,” zeg ik. Een fantasieloos antwoord, ik weet het, maar ik ben nog aan het bijkomen van de schrik. Hugo klopt met zijn hand op het gras. ,,Kom er even bij zitten.” Ik ga zitten. Het gras voelt koud aan. Zwijgend geeft Hugo zijn sigaret aan mij. Ik hou er eigenlijk niet van, maar ik neem toch een trekje. We zwijgen en kijken allebei naar de sterren boven ons.
,,Wie had ooit gedacht dat jij een van die mensen zou zijn waarmee je gewoon stil kunt zijn,” zegt hij. Ik grinnik vereerd. ,,Ik blijf verrassend.” ,,Dat blijf je zeker,” zegt hij serieus. ,,Volgens mij is het met jou nooit saai.”
,,Je kent me pas vier dagen.”
,,Vier dagen is voor mij genoeg.”
En plotseling, totaal onverwachts, zoent hij me.
10. Reina
De buurt slaapt nog als ik op zaterdagmorgen in de tuin ga zitten met met schetsblok. Ik hou van de ochtend. Vooral van een ochtend die ik voor mezelf heb. In mijn eentje in de tuin, als het gras nog nat is van de dauw, luisterend naar de vogels en tekenend wat er in me opkomt, ben ik het gelukkigst.
Ik hoor het klepperende geluid van het kattenluikje en kijk achterom. Kokkie, onze poes, komt de tuin in gewandeld. Ze neemt grappige hoge stapjes door het natte gras. Ik besluit haar te tekenen.
Dieren tekenen is het allermoeilijkst. Ze zitten nooit stil. Terwijl ik een poging doe om haar een beetje waarheidsgetrouw af te beelden, doet Kokkie een poging om een vogeltje te vangen. Na tien minuutjes heb ik dus een paar ruwe schetsen van een springende en buitelende Kokkie op papier staan. Ik hou mijn schetsblok een stukje van me af en bekijk ze kritisch. Ze zijn eigenlijk best schattig. “Kokkie op jacht” zet ik erboven.
Als ik teken, vergeet ik de tijd. En alles om me heen. Behalve het object waar ik mee bezig ben. Ik maak nog een paar schetsen van Kokkie, en een echte nauwkeurige tekening, als het vogeltje opgegeten is en ze ligt uit te rusten van de jachtpartij. Als ik Kokkie af heb teken ik mijn moeder met het broodmandje, en mijn vader met de krant. Mijn zusje ligt nog te slapen, dus die kan ik niet tekenen. Maar ik teken haar toch al niet zo vaak. Ze wil altijd dat ik haar teken als een model, en ze neemt de meest belachelijke poses aan. Als ik het resultaat laat zien, is ze steevast ontevreden. ,,Je kunt me toch wel íets mooier maken dan ik in het echt ben?” zeurt ze dan.
Ik leg net de laatste hand aan de tekening van mijn vader, als mijn mobiel gaat. Ik kijk op het schermpje. Het is Pat. Voor de zekerheid kijk ik nog even op mijn horloge. Ja, het is echt pas kwart voor elf. Normaal ligt Pat om deze tijd nog in coma. Waarom zou ze nu zo vroeg bellen? Nieuwsgierig neem ik op.
Ze geeft me nauwelijks de tijd om “met Reina” te zeggen. Ze valt meteen over me heen. ,,Oh Rein, ik móet het even kwijt! Ik heb op kamp zo’n leuke jongen leren kennen! En we hebben gezoend!” Ik glimlach, al kan Pat dat natuurlijk niet zien. Ik weet hoe het zal gaan. Twee weken lang zal ze helemaal bezeten van hem zijn, en dan is hij opeens niet interessant meer en gaat ze op zoek naar de volgende prooi. Zo gaat het al sinds… pfff, ik weet niet eens sinds wanneer. Sinds lang, in elk geval. Ik teken bloemetjes terwijl Pat in mijn oor blijft tetteren. Hugo heet deze, en ze heeft hem los weten te weken van ene Anne. Jongens waarvoor ze moet concurreren vindt Pat altijd het leukst.
Hugo vertelde Pat op de laatste avond blijkbaar dat hij haar leuker vond dan Anne, waarna ze gezoend hebben. ,,En we hebben het gedaan achter een schuurtje!” voegt ze er nog aan toe. Bij deze mededeling vlieg ik toch wel overeind. ,,Wát?!” Ik hoor Pat zelfvoldaan grinniken. ,,Hij zei dat het volgens hem nooit saai zou zijn met mij. Dat moest ik toch nog even onderstrepen.”
Ik voel me opeens jong en onervaren vergeleken bij haar. Maar ik stop het weg. ,,Kom je vanmiddag hier naartoe? Lekker in de tuin zitten?” ,,Prachtplan!” zegt ze enthousiast. ,,Tot straks!” Voor ik het goed en wel in de gaten heb, heeft ze alweer opgehangen.
,,Man, wat een prachtige dag vandaag,” verzucht Pat als we allebei languit liggen op een stretcher in mijn tuin. ,,Eigenlijk zonde om hier de hele middag voor pampus te liggen. Waarom gaan we niet naar de stad? Ik heb een paar superleuke terrasjes leren kennen deze week.” ,,Mmm,” mompel ik bedenkelijk. Op zich heb ik wel zin om lekker op een terrasje te zitten en te doen alsof ik niet in zo’n klein rotdorp woon waar nooit iets gebeurt. Maar ik ben bang dat het dan zo duidelijk zal zijn dat Pat daar studeert, en ik niet. Ik heb nog even geen zin om zo met mijn neus op de feiten te worden gedrukt.
Pat ziet dat ik niet dolenthousaist ben. ,,Ah, Rein, kom op,” probeert ze me over te halen. ,,Je wilt toch een streepje voor hebben op die sufferds uit je klas? Je gaat gewoon vaak met mij mee, dan ben jij ook een beetje student!”
Ik denk aan May. May die naar de modeacademie gaat, die zelf topjes en rokjes maakt, die trio’tjes heel normaal lijkt te vinden. En ik denk een Moira, die naar de toneelschool wil, óf naar het conservatorium, die hele stukken Macbeth uit haar hoofd kent en piano kan spelen met haar ogen dicht. Een streepje voor. Ja, ik kan wel een streepje voor gebruiken. Ik kom overeind. ,,Okee,” zeg ik. ,,Maar dan ga ik wel even een van mijn coole nieuwe shirtjes aantrekken.”
11. Sebastiaan
,,Sebastiaan! Sebastiaan! Wakker worden!” Ik doe één kleverig oog open en vraag me af hoe dit kan. Ik ben in mijn nieuwe kamer, maar ik hoor de stem van mijn moeder op de gang. Dat klopt niet. Mijn moeder hoort me hier niet wakker te maken. Als ik wil dat mijn moeder op mijn deur bonkt en “wakker worden, Sebastiaan!” roept, ga ik wel naar huis. Ik ben juist dit weekend hier gebleven omdat ik dat niet wil. Net als de vorige twee weekends trouwens. Maar het blijft een feit dat mijn moeder hier voor de deur staat, en ze lijkt voorlopig niet van plan het op te geven. Ik doe het andere kleverige oog dus ook maar open, gooi het dekbed van me af en strompel naar de deur. Na een paar minuten slaperig gemorrel met mijn nieuwe slot sta ik oog in oog met mijn meest hardnekkige vrouwelijke stalker. ,,Hoi mam.” Het klinkt niet al te hartelijk. Mijn moeder duwt me opzij en dendert naar binnen. Het valt me nu pas op dat ze twee grote dozen bij zich heeft. Ze zet ze midden in mijn kamer. Met haar handen in haar zij staat ze me verontwaardigd aan te kijken. ,,Ga me alsjeblieft niet vertellen dat je was vergeten dat ik vandaag je laatste spulletjes zou komen brengen!” Eh. Jawel dus. Maar ik glimlach allerbeminnelijkst en trek stiekem mijn boxer een beetje recht. ,,Natuurlijk niet!” lieg ik glashard. ,,Ik had speciaal voor jou de wekker gezet. Ik ben alleen weer in slaap gevallen toen hij was afgegaan.” ,,Aha,” zegt mijn moeder koud, terwijl ze met een vies gezicht in mijn enige stoel gaat zitten, die behangen is met de kleren die ik de afgelopen week heb aangehad. ,,Nou, ik heb anderhalf uur in de trein gezeten en daarna heb ik nog twinig minuten op die vreselijke bus moeten wachten. Ik vind dat ik wel een gebakje verdien.” Oh, shit. De gebakjes. Ik herinner me vaag dat ik haar die beloofd had toen we deze afpraak maakten van de week. Ik moet dat soort dingen echt eens op gaan schrijven.
,,De gebakjes,” grijns ik. ,,Die staan in de keuken. Als één van mijn huisgenoten ze inmiddels niet heeft opgegeten, tenminste.” Ik hijs me in een broek en trek een shirt over mijn hoofd. ,,Ik ga die overheerlijke lekkernij maar eens halen!” Ik laat nog één keer mijn tandpastaglimlach zien en maak me uit de voeten. Verdomme. Gebakjes, gebakjes. Waar haal ik zo snel gebakjes vandaan?
De keuken is een bende. Pannen met etensresten van drie dagen geleden, vuile borden, bierflesjes, je kent het wel. Typisch een studentenhuis. Typisch een plek waar moeders niet van houden. Waar ze een gebakje nodig hebben om zich een beetje thuis te voelen. Begrijpelijk. Maar waar vind ik een gebakje?
Radeloos trek ik de koelkast open. Dan trekt een tevreden grijns over mijn gezicht. Op het bovenste plankje prijkt de zelfgebakken taart van Marieke, mijn meest schijnheilige huisgenote. Sinds ik hier ben komen wonen, heeft ze me aan één stuk door op mijn plichten lopen wijzen, maar zelf even het vuilnis buiten zetten als het haar beurt is, ho maar. Voorzichtig haal ik de taart uit de koelkast. Ik kan voorlopig niks meer fout doen bij mijn moeder.
,,Tadaaaa….!” Triomfantelijk paradeer ik de kamer in. De taart hou ik trots voor me uit. ,,Spécialité à la maison! Zelfgebakken met een huisgenootje!”
Dat is niet eens zo héél ver van de waarheid. Mijn moeder kijkt verrukt. ,,Dat vind ik nou leuk van je, Sebastiaan!” ,,Dat dacht ik nou ook,” zeg ik opgetogen, terwijl ik mijn rommella afzoek naar wat geschikt bestek. Ik snijd twee mooie puntjes taart met mijn kaasschaaf en geef haar een willekeurige vork. ,,Taartvorkjes, die moet je ook nog hebben,” merkt ze natuurlijk op. ,,Ik zal de volgende keer een setje meenemen.” ,,Heel graag, mam,” zeg ik zogenaamd dankbaar. ,,Wat moest ik toch zonder jou?”
Als ze halverwege de middag eindelijk is opgedonderd, maak ik de dozen open. De eerste zit vol kleding. Dat ik deze kleding bewust niet heb meegenomen, is mijn moeder blijkbaar ontgaan. Ik zie de spencer die ik in de derde graag droeg, een broek uit de tijd dat ik een blauwe maandag skater was en een roze bloesje uit de tijd dat die hip waren voor jongens. Met een zucht doe ik de doos weer dicht. Deze kan dus linea recta mee terug. Of misschien kan ik ‘m aan Pieter geven, mijn eeuwige slechtgeklede huisgenoot. Met mijn spencer, skatebroek en roze bloesje zou hij er beter uitzien dan nu.
De tweede doos zit vol boeken en papieren. Na wat graven constateer ik dat ook deze dingen beter in mijn ouderlijk huis hadden kunnen blijven. Wat moet ik hier met mijn geschiedenisboek van vorig jaar? In godsnaam, waar denkt ze dat ik mijn oude wiskundeschrift voor nodig ga hebben? Net als ik ook deze doos weer dicht wil doen, zie ik dat het eindexamenjaarboek er ook inzit. Dat is misschien wel leuk om te bewaren. Ik haal het eruit. Ik duw de dozen in een hoek en plof neer op mijn bed. Ik heb dat hele jaarboek eigenlijk nooit bekeken. Ik blader er doorheen, laat de gezichten aan me voorbij trekken. Het valt me op dat er eigenlijk best veel meisjes bijzijn waarmee ik een keer gezoend heb op een schoolfeest. Niet dat het met één van die meisjes ooit iets geworden is. Als we eenmaal gezoend hadden, was het opeens niet interessant meer.
Ik hou op met bladeren als ik de foto van Pat zie. Pat is het enige meisje waarmee het ooit iets interessanter is geworden dan zoenen. Pat was zo’n meisje dat wel meer wou. Nou, daar maakte ik dankbaar gebruik van natuurlijk. Ik had zelfs even het gevoel dat het misschien echt iets kon worden. Maar dat was snel over. Ik wist toen ook al dondersgoed dat ik zo’n jongen ben die zich niet bindt. En dat Pat een meisje is dat zich niet bindt. In dat opzicht waren we voor elkaar geschapen, en we hebben dan ook een paar leuke niet-gebonden weken gehad. Ik weet niet eens meer precies hoe het eindigde.
Ik sla het jaarboek dicht en gooi het in de richting van mijn boekenkast. Ik zal het binnenkort wel een keer een plek geven. Ik laat me achterover vallen op mijn bed. Man, wat een avond was dat gisteravond, en vanavond doen we dat nog eens over natuurlijk. Ik denk dat ik nog maar even wat ga slapen. Ik heb het nog niet bedacht, of ik ben al vertrokken.
12. Reina
,,Eh, was dít één van de leukste terrasjes hier?”
We zitten op krakkemikkige stoeltjes in een straatje dat zo krap is dat het amper een staatje mag worden genoemd. Af en toe dendert er een auto langs, zo dichtbij dat ik een flinke kras in de lak zou kunnen maken met het vorkje van mijn appeltaart. Pat frunnikt aan een krul, een beetje zenuwachtig, lijkt het wel. ,,’t Is toch gezellig hier? Je moet het zien als pittoresk,” zegt ze berispend. Maar daar trap ik niet in. ,,Pat, het is hier niet pittoresk, het is hier ronduit armoedig. En we hebben twintig minuten moeten lopen om hier te komen, langs ik-weet-niet-hoeveel terrasjes die er wel leuk uitzagen.” Pat glimlacht onschuldig. ,,Maar jij hebt de cappuchino hier nog niet geproefd!” Ik roer met een vies gezicht door mijn koffie, waar een dubieus dingetje in lijkt te drijven. ,,Ik denk niet dat ik de cappuchino hier wíl proeven. Kom op, wat is er aan de hand? Woont hij hier soms in de buurt?” Pat zegt niks, maar haar gezicht spreekt boekdelen. ,,Ja, hè? Hij woont hier ergens! Daarom moeten we hier de hele middag blijven zitten, in de hoop dat hij langsloopt!” Ze kijkt een beetje schuldig en giechelt. Ze wijst naar een raam met een rode luxaflex ervoor. ,,Zie je dat raam? Daar woont hij.” Ik kreun. ,,Kunnen jullie niet gewoon wat afspreken? Er drijft iets in de koffie en deze appeltaart smaakt alsof ie drie jaar ingevroren is geweest.” Ze haalt haar mobieltje uit haar tas. ,,Nou, ik kan natuurlijk even kijken of hij inmiddels al gebeld heeft…” Ze checkt het schermpje en ik zie haar teleurstelling. ,,Nee, nog niks,” zegt ze zogenaamd nonchalant. ,,Dat betekent dat we hier nog even moeten blijven zitten.” Er dendert weer een auto langs, die de poot van mijn stoeltje op een haar na mist. ,,Ik wil hier niet blijven zitten!” protesteer ik. ,,Ik heb betaald voor mijn treinkaartje, ik wil waar voor mijn geld! Je belt hem zelf maar als je zo nodig wat af moet spreken.” ,,Lekkere vriendin ben jij,” zucht Pat. ,,Nou, goed dan, we vragen zo de rekening wel.” Pfff, mooi is dat. Ik heb al zó vaak meegeholpen met dit soort acties. Ik heb al zo vaak samen met haar voor een zeker huis gepost, samen met haar dagelijks nutteloze boodschappen gedaan in één of andere winkel en samen met haar fietstochten gemaakt die altijd moesten eindigen in dat ene dorpje verderop. En dankzij mijn hulp rotzooide ze een paar weken met het slachtoffer, en dan koos ze iemand anders uit en begon het allemaal opnieuw. Ik begin het gewoon zat te worden. Ze moet het maar eens alleen gaan klaren. Ze is nu student, en al ben ik dat zelf nog niet, ik begin me in elk geval een beetje te oud te worden voor dit soort zogenaamd onopvallende acties.
Als we de rekening gevraagd hebben, is Pat eindelijk bereid om mee te gaan naar de binnenstad. We lopen wat winkels in en uit. Pat koopt een sexy groen topje, ik koop maar even niks. Ik heb wel even genoeg geld uitgegeven aan kleding, de afgelopen week. Ik koop wel een boek, over modeontwerpen. Misschien kan ik dat ook wel leren. Het lijkt me ontzettend cool om te kunnen.
Na een uurtje geshopt te hebben, besluiten we even wat te gaan halen bij MacDonalds. ,,Ik heb van de week zo’n Pitamac gehad,” vertelt Pat. ,,Echt, superlekker die dingen! En ook best gezond!” ,,MacDonalds en gezond,” grinnik ik. ,,Geloof je het zelf?” ,,Nou, de groente leek best vers. En…” Maar ik luister niet meer. Buiten, op het terrasje naast de Mac, zie ik namelijk de nieuwe jongen van school zitten. Hij leest de krant. Ik kijk nog eens beter. Is dat hem écht? Wat doet hij hier? Woont hij niet in één van onze dorpjes? En waarom zit hij in godsnaam de krant te lezen?
Ik kan me niet inhouden. Ik móet naar hem toe. ,,Eh, bestel maar frietjes voor mij,” zeg ik tegen Pat. ,,Ik zie iemand die ik ken. Ben zo terug.” Ik geef haar niet de gelegenheid om antwoord te geven en storm naar buiten.
,,Hoi!” zeg ik. ,,Wat doe jij nou hier?” Hij kijkt op van zijn krant. ,,De krant lezen, zoals je ziet,” zegt hij lackoniek. ,,En jij?” ,,Oh, mijn beste vriendin gaat hier studeren, dus ze laat me de stad een beetje zien, en we zijn een beetje aan het winkelen enzo…” leg ik uit. ,,Maar eh, ben je hier helemaal alleen?” Hij knikt. ,,Ja, dit is mijn stamkroeg. Ik ken al het personeel. Als het lekker weer is, vind ik het heerlijk om hier mijn krantje te zitten lezen.” Ik knik, behoorlijk sprakeloos. ,,Oké.” Hij is nu zo ongelooflijk anders dan op school. Op school was hij onhandig, verlegen, freaky. Hier lijkt hij doodnormaal. En rustig. En zelfverzekerd. En volwassen. Hier is hij opeens iemand op wie ik serieus verliefd zou kunnen worden. Je zou nu niet zeggen dat hij zo vreselijk schuw is en niet eens een klas durft in te lopen om een woordenboek te pakken.
,,Maar is dit niet een beetje ver weg voor een stamkroeg?” vraag ik. ,,Ik bedoel, je zit bij ons op school, dus je zult ook wel bij ons in de buurt wonen…” ,,Nee hoor, het is wel te doen,” zegt hij. ,,Maar volgens mij moet je terug naar je vriendinnetje.” Hij knikt opzij. Ik volg zijn blik. Voor het raam staat Pat op en neer te springen met een dienblad en een niet-begrijpende blik. ,,Ja, ik ga weer terug,” zeg ik. ,,Ik zie je van de week nog wel op school.” ,,Ja,” zegt hij. ,,Tot dan, eh… hoe heet je eigenlijk?” ,,Reina,” antwoord ik. Hij glimlacht (oh, wat heeft hij een mooie glimlach!) en steekt zijn hand naar me uit. ,,Reina,” herhaalt hij. ,,Ik ben Kilian.” ,,Oké,” piep ik, een beetje schor. ,,See you around, Kilian.” Dan draai ik me snel om en loop ik de Mac weer in. Als ik nog even over mijn schouder kijk, is Kilian weer in zijn krantje verdiept.
13. Kilian
Reina. Nu weet ik eindelijk hoe ze heet. Reina, die naam past wel bij haar. Ik weet niet waarom. Maar nu is het net alsof ik altijd al geweten heb dat ze zo heet. En ze weet nu hoe ik heet. Niet dat ik denk dat dat veel verschil zal maken. Maar toch leek ze vandaag wat minder afstandelijk dan op school. Ze was duidelijk verbaasd dat ze me hier tegenkwam. Op een terras. In mijn eentje. Met een krant. In godsnaam, hoe erg kun je op een leraar lijken?
Maar ik bén een leraar. En ik doe blijkbaar wat leraren doen. Het verbaast me dat ze nog niet geraden heeft dat ik geen leerling ben. Of heeft ze dat allang in de gaten, maar zegt ze er gewoon niks over?
Ik denk terug aan wat ze zei. ,,Ik bedoel, je zit bij ons op school, dus je zult ook wel bij ons in de buurt wonen…” Nee. Niet waarschijnlijk dat ze weet dat ik een leraar ben. Ik wrijf vermoeid over mijn voorhoofd. Misschien wordt het tijd om haar dat maar eens te gaan vertellen. Hoe langer ik mijn ware identiteit verzwijg, hoe oneerlijker ik me ga voelen. Maar ja, ze praat in elk geval nog met me. Als ze weet wie ik in feite ben, zou ze dat misschien niet meer doen. En ik vind het leuk om met haar te praten, dus ik zou niet blij zijn als dat niet meer kon. O, verdomme. Ik vind haar echt leuk. Een leerling. Een leerling die eigenlijk al studente had moeten zijn, maar toch, nog altijd een leerling. Ik moet ermee ophouden. Ik zet mijn baan op het spel als ik zo doorga. Maandag vertel ik haar dat ik hier in een studentenhuis in de stad woon, en dat ik op zoek ben naar een appartementje. En als ze me dan raar aankijkt, vertel ik haar dat ik al vierentwintig ben, dat het zes jaar geleden is dat ik in de zesde zat en dat ik nu lesgeef. Dan zal ze me walgend aankijken en weglopen. En dan is het afgelopen. Dan word ik een serieuze leraar, en zoek ik een vriendin die in de verste verte niets met school te maken heeft.
14. Pat
Ik ben weer vijftien. Ik zit in de klas, naast Reina. Ik aai iedere keer trots over mijn haar, dat ik vanmorgen met behulp van heel veel gladmakende melk en de steiltang van Maggie, eindelijk een beetje steil heb gekregen. Ik vind het geweldig om steil haar te hebben. Ik kan er gewoon niet van afblijven. Voortaan sta ik elke dag om zes uur op om mijn haar zo te doen, heb ik al besloten. Ik weet zeker dat ik zo veel knapper ben. En ik weet zeker dat dat hem ook moet zijn opgevallen. Ik kijk opzij, naar waar hij zit. Zie je wel! Hij lacht naar me. Ik wíst gewoon dat dit haar zou werken. Ik lach terug, een beetje angstig, verlegen, blij, ontwapenend. Mijn glimlach is nog nooit zo stralend geweest. En hij is voor hem, helemaal voor hem.
Dan tikt Reina me op de schouder. ,,Kijk eens achterom,” fluistert ze. Ik zucht geërgerd omdat ik de glimlach van mijn leven moet onderbreken, maar dan zie ik het. Of beter gezegd: dan zie ik haar. Valerie, de schoonheid van de klas, zat al die tijd al achter me te glimlachen. Haar standaard-glimlach is al veel mooier dan mijn bijzondere glimlach van daarnet. En hij glimlacht nog steeds. En hij kijkt ook nog steeds hetzelfde. De hele tijd lachte hij al naar háár, en niet naar mij.
Met een schok word ik wakker. Verdomme. Waarom droom ik dat soort dingen toch steeds? Iedere keer dat ik nu word afgewezen, droom ik weer over toen ik vijftien was. Oké, toen maakte ik de grootste afwijzing van mijn leven mee. Maar dat zou ik na vier jaar toch wel achter me gelaten moeten hebben. Het is belachelijk dat ik al die kleine, vernederende gebeurtenisjes steeds weer opnieuw moet meemaken. En die stomme dromen zijn ook zo verdomd realistisch. Het lijkt altijd net echt. Als je me tijdens zo’n droom wakker zou maken en je zou vragen in welke klas ik zat, zou ik antwoorden: ,,In de derde.” Ik zweer het je, het is gewoon bijna eng. Trouwens, ik ben nu niet eens echt afgewezen. Hij belt gewoon steeds niet. Dat hoef ik niet meteen als een afwijzing op te vatten. Misschien heeft hij het gewoon heel druk. Als ik vanavond nog niks van hem gehoord heb, bel ik hem misschien zelf wel. Of misschien kom ik hem vandaag zelfs wel tegen, want vandaag heb ik mijn eerste college. Misschien moet hij wel in hetzelfde gebouw zijn als ik, wie weet?
Als ik mijn eerste college achter de rug heb, duizelt het me. Hier gaat heel veel tijd in zitten, bedenk ik zwartgallig. Voor vrijdag moet ik al een heel boek uit hebben! En dan heb ik het nog niet eens over al die gedichten die ik de komende weken zal moeten analyseren, en over al die bladzijdes uitleg ik zal moeten lezen in het lesboek. En dit is nog maar één van de twee vakken. Als ik voor het andere ook zoveel moet doen, kan ik mijn lol op de komende maanden. Wat zeg ik, misschien wel het hele jaar! En waarvoor eigenlijk? Zodat ik straks Neerlandica ben. Joepie.
Max denkt blijkbaar hetzelfde. ,,Ik ga dóóód,” kreunt hij. ,,Dit moet toch de mooiste tijd van ons leven worden? Nou, op deze manier komt er niet veel van.”
,,Heb je geen toepasselijk gedicht om te citeren?” vraag ik. ,,Iets met lijden ofzo?” Hij schudt zijn hoofd. ,,Ik ben getraumatiseerd, mede door de poëzie. Ik keer de poëzie vandaag de rug toe.” Ik geef hem een schouderklopje. ,,Heel verstandig.”
,,Trouwens,” zegt Max als we de hal door lopen. ,,Hoe is het afgelopen met onze goddelijke mentor? Ik heb jullie nog even snel zien zoenen op het station, en toen?” ,,Toen niks,” zeg ik schouderophalend. ,,Ik heb niks meer van hem gehoord. Ik had gehoopt hem hier tegen te komen, maar helaas.” ,,Ah goshie,” zegt Max meelevend. ,,En wat ga je nu…” Dan slaakt hij een dolblij kreetje. ,,Simon!” Ik kijk achterom, en ja hoor, daar is Max’ liefje uit groepje zeven. De twee tortelduifjes omhelzen elkaar overdreven en kijken elkaar aan alsof ze drie jaar van elkaar gescheiden zijn geweest in plaats van drie dagen. Na een zeer uigebreide begroeting kijkt Max eindelijk weer naar mij. ,,Ga je mee, ergens een kopje koffie drinken?” Niets is erger dan op stap zijn met een stel. Ik bedank dus voor de eer en haal mijn mobiel uit mijn zak. ,,Gaan jullie maar lekker, veel plezier, doe niets wat ik ook niet zou doen!” Ze giechelen. Ik scroll door mijn telefoon om Hugo’s nummer op te zoeken. ,,Ik ga mijn eigen adonis maar eens bellen.”
Ik kijk hoe Max en Simon weglopen en luister naar het overgaan van Hugo’s telefoon. Mijn hart bonkt in mijn keel. Net als ik denk dat ik zijn voicemail aan de lijn ga krijgen, neemt hij op. ,,Hugo,” zegt hij alleen. ,,Hoi Hugo, met Pat,” zeg ik met mijn meest verleidelijke stem. ,,Ik vroeg me af of je zin hebt om ergens wat te gaan drinken.” Het is even stil aan de andere kant van de lijn. ,,Oké,” zegt hij dan. ,,Nu?”
,,Eh, ja, als je kan?”
,,Nou, nu meteen komt me eigenlijk een beetje slecht uit. Maar als je me een uurtje geeft?”
,,Oh, ja, dat is goed hoor. Dan ga ik vast beginnen in dat boek dat ik voor Literaire Analyse moet lezen. Voor vrijdag, zijn ze gek geworden ofzo!”
,,Nou, wen er maar vast aan, straks krijg je drie boeken per week. Maar eh, waar zit je nu?”
,,Ik zit nu in de kantine van de Trans.”
,,Oké, dan zie ik je daar over een uurtje. Hoi.”
Voor ik iets terug kan zeggen, heeft hij alweer opgehangen. Ik weet dat ik nu heel blij zou moeten zijn. Hij komt straks hier naartoe! We gaan samen wat drinken! En daarna gaan we misschien wel naar zijn kamer! En wie weet wat daar gaat gebeuren! (Nou ja, dat is niet zo heel moeilijk te raden, eigenlijk)
Maar om de één of andere reden ben ik niet zo blij. Waar dat aan ligt? Ik wou dat ik het wist. En misschien weet ik het ook wel. Híj klonk niet echt blij.
“Een uurtje” is inmiddels al bijna anderhalf uur. Ik ben nog minder blij dan daarnet. Ik worstel me door mijn verplichte boek heen, dat nog saaier is dan ik verwacht had. Ik lees wel, maar ik neem niet op wat er staat. Hij zal me toch niet laten zitten? Nee, hij heeft me anderhalf uur geleden nog aan de telefoon gehad, dat zou wel héél lomp zijn. Net als ik de mogelijkheid dat Hugo gewoon een bijzonder lompe jongen is serieus begin te overwegen, komt hij binnenwandelen. Hij doet het wel erg rustig aan voor iemand die een half uur te laat is. ,,Hoi,” zegt hij. ,,Alles goed?” ,,Ja hoor,” zeg ik koeltjes. Ik laat even een stilte vallen, in de hoop dat die zal worden opgevuld door zijn excuses. Maar nee. Hugo vindt het blijkbaar heel normaal om een half uur te laat aan te komen kakken. Nou ja. Misschien is hij gewoon niet zo’n man van de klok.
Ik sta op. ,,Nou, verras me maar. Waar gaan we heen?” Hij fronst zijn wenkbrauwen. ,,Ik dacht dat jij dat zou bedenken.” ,,Ik zou helemaal niks bedenken. Ik dacht gewoon dat jij wel zou weten waar het om deze tijd van de dag een beetje leuk is.” Jezus. Nooit geweten dat hij zo’n zeikerd kon zijn. Eerst een half uur te laat komen, en dan ook nog meteen gaan lopen zeuren over zoiets onbelangrijks als waar we heen zullen gaan… hij daalt wel een beetje in mijn achting, moet ik zeggen. Gelukkig pakt hij dan opeens mijn elleboog vast. ,,Kom mee. Ik weet wel wat leuks.” Het loopt niet al te romantisch, zo arm-in-hand, maar toch kan ik het niet laten om trots rond te kijken. Eerstejaars, eerste dag en nu al een (soort) vriendje. Dat heb ik toch aardig voor elkaar.
15. Sebastiaan
Mijn huisgenoot Niels begint meewarig te lachen als hij me ziet. ,,Zo, weer een zware nacht gehad, Bas?” ,,Zeg dat wel,” kreun ik. ,,En het resultaat daarvan is nog lang niet weg, vrees ik.”
,,Nee, maar dat zou je zo langzamerhand toch wel moeten weten.”
,,Oh, dat bedoel ik niet eens. Ik bedoel dat het resultaat in mijn bed ligt. En het wil er niet uit.”
,,Ligt er een baby in je bed?” bemoeit Marieke zich ermee. ,,Nee, natuurlijk niet,” snauw ik. Haar zogenaamd bijdehante commentaar is nu even het laatste waar ik zin in heb. Alhoewel, eigenlijk is dat altijd wel het laatste waar ik zin in heb. Ik kan Marieke nou eenmaal niet uitstaan. Ik ben benieuwd wanneer ze over die taart gaat beginnen.
Nu, blijkbaar. ,,Trouwens, jongens, heeft één van jullie mijn zelfgebakken taart toevallig opgegeten?” ,,Ik eet heel vaak toevallig hele taarten op, dus dat zou best wel eens kunnen.” Nu is het mijn beurt om bijdehant te zijn. Ze kijkt me kwaad aan. Oei, als blikken konden doden. Nou ja, dan had ik de kleuterschool waarschijnlijk al niet overleefd. ,,Jullie weten best dat er vrijdag een door mij gebakken taart in de koelkast stond. Die was voor mijn ouders. En na vrijdagavond heb ik ‘m niet meer teruggezien,” klaagt Marieke. Niels haalt zijn schouders op. ,,Nou, ik zou het niet weten, hoor.” Natuurlijk heb ik hem niets verteld over mijn taart-actie. Ik heb nog niet helemaal door wie hier precies slijmt bij wie, dus het lijkt me het veiligste om mijn wangedrag voorlopig voor me te houden. Ik probeer net zo onschuldig te kijken als Niels. ,,Nee, ik heb ook geen idee.” Mariekes ogen vernauwen zich. ,,Nou, Sebastiaan, op dit moment ben jij voor mij de hoofdverdachte.” ,,Waarom ík nou weer?!” roep ik uit, oprecht verontwaardigd. Ze zet haar ontbijtbordje met een klap op het aanrecht en zwaait haar blonde haar naar achteren. ,,Niemand anders hier zou zoiets doen,” zegt ze.
,,Wát?! Dus omdat je mij helemaal niet kent, beschuldig je mij maar gewoon?!”
,,Kom op, Sebastiaan. We weten allebei dat jij degene bent die die taart gestolen heeft. Dus vanavond verwacht ik een nieuwe taart. Zelf gebakken of zelf gekocht, dat moet jij weten.”
,,Dat kun je dus vergeten.”
Met een zwierig gebaar pakt ze haar tas van tafel. Als ze de keuken uitloopt, komt ze iets te dicht bij me. Ze kijkt me dreigend in de ogen. ,,Als ik die taart kan vergeten, kun jij misschien je kamer hier wel vergeten.”
Dan loopt ze met vervaarlijk tikkende hakken de gang door. Een moment later hoor ik de voordeur dichtslaan. Ik beuk met mijn vuist tegen een keukenkastje. ,,Wat een bitch!” Niels grinnikt. ,,Wen er maar vast aan.”
,,Denk je dat ze dat meende, van mijn kamer?”
,,Volgens mij doet ze het met de huisbaas. En zo niet, dan kan ze altijd nog stoken als de beste. Dus ja, waarschijnlijk meende ze het.”
,,Shit, man. Ze chanteert me gewoon.”
,,Dan had je die taart niet moeten jatten. Of heb je dat niet gedaan?”
,,Ben jij een klikspaan?”
,,Je hebt ‘m dus gejat.”
,,Dat zeg ik niet. Ik vraag of jij een klikspaan bent.”
,,Dat zou je niet vragen als je die taart niet gestolen had.”
Ik zucht. ,,Okee, okee, ik beken. Ik was vergeten gebakjes te halen voor mijn moeder, en ze was al in zo’n slecht humeur. Al vraag ik me af of dat opweegt tegen het slechte humeur van Marieke.”
,,En wat ga je nou doen? Ga je een taart kopen?”
,,Over mijn lijk. Ik laat me niet chanteren door dat kreng.”
,,Prima. Onthou alleen even wat ik gezegd heb over haar dubieuze relatie met de huisbaas. En over haar talent voor stoken.” Ook Niels zet nu zijn ontbijtbordje op het aanrecht. Hij slaat me vriendschappelijk op de rug. ,,Succes ermee vandaag, man.” Dan loopt hij de keuken uit.
Ik plof neer op een stoel. Ik kan er gewoon niet over uit. Ik word gechanteerd door een wijf. En waarom? Alleen maar omdat ik haar f*cking taart gepikt heb. Waar kun je je druk over maken, zeg. Bak gewoon een nieuwe. Dát had ik net moeten zeggen. Maar ja, dat soort dingen bedenk je altijd als het allang te laat is. Nou, ik zie nog wel of ik een nieuwe taart voor haar koop. Aan de ene kant druist het natuurlijk volledig tegen mijn trots in, maar aan de andere kant: ik wil hier nog wel wat langer blijven wonen, dus misschien is het niet slim om nu al risico’s te gaan nemen.
,,Lekker gezellig ben jij,” hoor ik dan opeens achter me. Ik schrik op uit mijn gedachten en kijk achterom. Shit. Dat is waar ook. In de deuropening staat het meisje waarmee ik de nacht heb doorgebracht. Het meisje waarvan ik nu de naam kwijt ben. ,,Ehm, ja, sorry. Ik heb zometeen college,” probeer ik me eruit te kletsen, al zit ik hier in niks behalve mijn boxer en ben ik duidelijk niet bezig met ontbijten. ,,En je zei gisteravond dat je vanmiddag pas college zou hebben!”
Hè verdomme, dit is er zo eentje die alles onthoudt, hoeveel drank je er ook in giet. ,,Ja, maar ik hoorde net van mijn huisgenoot dat mijn rooster is veranderd,” lieg ik. ,,Doen ze dat bij jou nou ook altijd?”
,,Nee, dat doen ze bij mij nooit.” Haar stem klinkt ijzig. Op zich toch goed dat ik een tweedejaars aan de haak heb weten te slaan, denk ik bij mezelf. Ik kijk nog eens beter naar haar. Ze is al helemaal aangekleed, zie ik nu. En ze heeft haar tasje al bij zich. Auw, die blijft dus duidelijk geen beschuitje meer eten. Niet dat ik dat zo graag zou willen of zoiets. Ze is onmiskenbaar knap, maar ik heb niet het gevoel dat ze veel te vertellen heeft. Ik heb alleen geen zin in twee boze vrouwen op één dag. ,,Kom nog even zitten, dan ontbijten we samen,” probeer ik nog. ,,Nee dank je,” zegt ze, nog altijd even ijzig. ,,Ik heb zo’n voorgevoel dat de brug open zal staan. Dag Sebastiaan.” Voor de tweede keer vandaag hoor ik venijnig tikkende hakken in de gang en de buitendeur die met een klap dichtslaat. Dit is duidelijk geen goeie dag. Ik denk dat ik maar weer terug naar bed ga.
16. Reina
,,Oké, zeg het maar!”
,,Eh… hè? Wat moet ik zeggen?”
,,Je zit nu al minstens tien minuten voor je uit te staren. Kom op, wie is het?”
Ik kijk May stomverbaasd aan. ,,Tíen minuten?! Nee joh! Heel eventjes maar! Ik dacht gewoon aan…” Ze grijnst triomfantelijk. ,,Je dacht aan hém! Geef het maar toe! Je bent verliefd!” ,,Ik ben helemaal niet verliefd!” reageer ik verontwaardigd. ,,Alleen omdat ik eventjes mijn eigen gedachten heb, ben ik volgens jou meteen verliefd?” May lacht spottend. ,,Dan heb je sinds dit weekend wel erg veel eigen gedachten. Ik heb je nog nooit zo afwezig meegemaakt.”
,,Je kent me ook nog maar net een week.”
,,Maar ik ben niet achterlijk. Je bent anders dan vorige week. Ik zie het gewoon! Ik heb speciale voelsprieten voor verliefde mensen.”
Ik zucht. ,,Nou ja, ik ben niet echt verliefd, hoor. Maar weet je nog, die nieuwe jongen, waar over ik je vertelde?”
,,Ja, die heb je me ook aangewezen, weet je nog? Die hoort thuis op de fotomodellen-school, dus gelijk heb je. Wanneer gaan jullie uit?”
,,We gaan helemaal niet uit! Het is gewoon… ik was zaterdag in de stad met Pat en toen kwam ik hem tegen. Op een terras. En hij was zo… anders. Leuk.”
May knikt. ,,Een andere omgeving kan soms heel anders werken,” zegt ze wijs.
Ik denk terug aan zaterdag. Hoe hij daar zat. Kilian. In de zon, met zijn krant. Zo relaxed. Zo tevreden. ,,Inderdaad,” zeg ik dromerig. ,,Hij heet trouwens Kilian.” ,,Leuke naam,” vindt May. ,,En wat ga je nu doen?” Ik haal mijn schouders op. ,,Wachten tot ik hem weer tegenkom, lijkt me zo.” Ze stoot me aan. ,,Is dat hem niet?” Ik volg haar blik. Mijn adem stokt. Ze heeft gelijk; het is hem. Maar waarom komt hij de lerarenkamer uit? ,,Wat heeft hij in de lerarenkamer te zoeken?” zegt ook May. ,,Roep hem eens, dan kunnen we het vragen!”
,,Nee joh, hij is veel te ver weg! Ik ga toch niet door de aula schreeuwen!”
,,Waarom niet joh? Je moet een beetje risico durven nemen, anders gebeurt er nooit wat!” Voor ik het weet, heeft ze al op haar vingers gefloten. Het werkt wel: Kilian kijkt onze kant op. Ik wenk hem met een trillende hand. Hij komt naar ons toe. ,,Ja?” Mijn hart bonkt. ,,Eh…” breng ik uit. Gelukkig doet May het woord. ,,We vroegen ons af wat je in de lerarenkamer deed. Ik bedoel, je bent nieuw hè? Dus je weet waarschijnlijk nog niet dat de lerarenkamer streng verboden terrein is voor leerlingen.” ,,We dachten, we zeggen het maar even, voor je er gezeik mee krijgt,” voeg ik eraan toe, blij dat ik mijn stem weer teruggevonden heb. ,,Oh. Ja. Goed dat jullie het zeggen. Bedankt,” zegt Kilian.
,,Kom er even bij zitten,” nodigt May hem uit. ,,Jij hebt zeker ook een tussenuur?” Hij schudt zijn hoofd. ,,Nee, ik moet door. Ik ben al laat.”
,,Hmm. Jammer,” zegt May. Dan vraagt ze, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is: ,,Wil je wel wat gaan drinken met Reina, na school?” Het koude zweet breekt me uit. Hoe kan ze dat zomaar vragen? Hoe kán ze? Stel dat hij nee zegt!
Maar hij zegt geen nee. Hij kijkt stomverbaasd van de één naar de ander en zegt dan kalmpjes: ,,Oké.” May klapt in haar handen. ,,Mooi zo!” ,,Goed,” piep ik. ,,Hoe laat?” Hij denkt even na. ,,Ik zie je na het zesde uur wel bij het hek, goed?” Ik knik sprakeloos. Er valt een onhandige stilte. ,,Oké, eh, tot straks dan,” zegt Kilian dan. En hij maakt zich uit de voeten.
Ik laat me achterover zakken. ,,Dat flik je me nooit meer!” May lacht voluit. ,,Kom op, straks ben je me dankbaar! Het wordt vast hartstikke leuk!”
,,Nou, dat weet ik zo net nog niet. Zag je niet hoe we tegen elkaar deden? We kunnen niet echt met elkaar praten. Dat afspraakje wordt de langste stilte van mijn leven.”
,,Nee joh, het wordt vast hartstikke leuk. Dat beloof ik je. Je kunt zien dat hij weg van je is. Jullie waren gewoon allebei geschrokken van mijn spontane actie.”
Ik zucht. ,,Ik hoop het maar.”
17. Kilian
Het hek was echt de domste plaats die ik kon bedenken als afspreekpunt. Hier sta ik nou om me heen te kijken, alsof ik ieder moment doodgeschoten kan worden vanuit de struiken. Nou ja, als leraar weet je het maar nooit tegenwoordig. Maar op dit moment ben ik banger voor de directrice dan voor jeugdige sluipschutters. Als zij mij toevallig samen met Reina ziet, heb ik een probleem. En aangezien ik hier zo ongeveer pal voor haar raam sta, is er een goeie kans dat ze ons zal zien. Echt, ik lijk wel een imbeciel, de laatste tijd. Waarom heb ik niet gewoon met Reina in het dorpscafé afgesproken? Waarom heb ik überhaupt met Reina afgesproken?!
Omdat ik zo overdonderd was door de vraag van haar vriendin, dat ik niet meer helder kon denken. Even dacht ik óók dat ik een leerling was, in plaats van een leraar. En toen ik een leerling was, sprak ik altijd met mijn vriendinnetjes af bij het hek. Het ging dus volledig automatisch. Maar goed, nu loop ik hier dus te ijsberen. Ik hoop dat Reina snel komt.
Daar is ze al. Ik zie haar vanuit de verte komen aanlopen, haar fiets aan de hand. Ze draagt zo’n wijde, knielange rok die nu in de mode lijkt te zijn, met zwarte laarzen eronder. Haar blonde haar zit in een slordige knot. Ze ziet er fantastisch uit. Ik ga wat rechter staan en maak me wat groter. ,,Hey,” zegt ze. ,,Hoi,” zeg ik. ,,Waar zullen we heen gaan?” Ze lacht. Het klinkt een beetje nerveus. ,,Ik weet het niet, we hebben wel een café in de dorpsstraat, maar daar zitten alleen maar van die foute mensen…maar misschien kunnen we een ijsje gaan eten bij het meertje?” Dat klinkt me als muziek in de oren. ,,Goed plan,” zeg ik. ,,Mijn auto staat om de hoek.” Te laat besef ik wat ik gezegd heb. Reina kijkt me stomverbaasd aan. ,,Heb jij een auto?!” Ik grinnik maar wat. ,,Ach ja. Mijn moeder kocht een nieuwe. Toen kreeg ik de oude. Dat is deze.” Daar is geen woord van gelogen, gelukkig. En ach, waarom zou zoiets niet kunnen voor een middelbare scholier? ,,Cool!” lacht Reina. ,,Had ik maar zo’n moeder! Maar eh, wat moet ik dan met mijn fiets doen?” ,,Die kan wel in de achterbak,” zeg ik zorgeloos. Op dit moment ben ik echt dolblij dat ik mijn auto vanmorgen om de hoek geparkeerd heb. Stel je voor dat de directrice me de fiets van een leerling mijn auto in zag werken. Dan zou ik net zo goed meteen een uitkering kunnen aanvragen.
Met wat moeite weet ik Reina’s fiets mijn auto in te krijgen. Ik hou galant het portier voor haar open. Ze glimlacht naar me. ,,Nou, wijs me maar eens de weg naar dat meertje,” zeg ik als ik achter het stuur zit. ,,Oké, deze straat uit en dan naar rechts,” begint ze meteen. Dan is het stil. Hier was ik dus al bang voor. Maar je had een plan, Kilian, help ik mezelf herinneren. Ja, dat heb ik.
Ik heb met mezelf afgesproken dat ik haar zoveel mogelijk over haarzelf zal vragen, zodat ik niet zoveel over mijzelf zal hoeven vertellen. Hoe minder ik hoef te zeggen, hoe minder ik hoef te liegen, tenslotte. Ik begin meteen. ,,Zo, en heb je het al een beetje naar je zin in je nieuwe klas?” Ze knikt. ,,Ja, ik ga veel om met May, dat meisje waarmee ik vandaag in de kantine zat. En ik ga ook wel om met Moira, een vriendin van May.” Ik bedenk me opeens dat ze me nu zou kunnen vragen in welke klas ik nou zit. Dat heb ik haar tenslotte nog nooit verteld. Omdat er geen klas ís. Het zweet breekt me uit. Ze mag die vraag absoluut niet stellen. Ik moet het zien te voorkomen. Ik zet de radio aan en mijn zonnige gezicht op. ,,Oké, dat was dan het eerste en het laatste wat er over school gezegd is vandaag. Vanaf nu gaan we het over leuke dingen hebben!” Reina lacht. ,,Goed idee. Na de stoplichten naar links.”
18. Pat
Hugo rolt van me af, gelukzalig grommend. ,,Zo kleine, dat was niet mis.” Het irriteert me een beetje dat hij me “kleine” noemt, maar ik glimlach. ,,Tot je dienst.” Hij pakt zijn shag van zijn nachtkastje en begint een sigaret te draaien. Liggend. Ik kijk bewonderend toe. Ik heb één keer geprobeerd een sigaret te fabriceren, maar het mislukte erbarmelijk. En hij ligt hier zo nonchalant mooi te zijn en draait liggend op zijn rug een shaggie alsof het niets is. Wow. Deze moet ik zien te houden.
Ik trek het dekbed wat hoger op en kruip behaaglijk tegen hem aan. Ik heb zin om hem te vragen waarom hij me niet gebeld heeft dit weekend, maar ik doe het natuurlijk niet. Ik moet hem zonder woorden zover zien te krijgen dat hij me elke dag wil bellen. ,,Vond jij het eerste college van Literaire Analyse ook zo vreselijk?” vraag ik. Te laat realiseer ik me dat hij waarschijnlijk helemaal niet over zijn studie wil praten. Maar gelukkig lijkt hij het niet zo erg te vinden. ,,Nee, ik vond het juist leuk,” zegt hij. ,,Er ging een wereld voor me open. Zoveel manieren om naar een tekst te kijken, dat had ik nooit gedacht. Ik wist meteen dat ik de goede studie had gekozen.” ,,Hmm,” brom ik. ,,Dat had ik dus absoluut niet. Misschien heb ik wel niet de goede studie gekozen.” ,,Natuurlijk wel,” zegt hij. ,,Je moet gewoon nog even wennen.” ,,Ja, misschien,” mompel ik slaperig. Ik voel me heerlijk ontspannen. Het is hier zo lekker knus en warm, saampjes in bed. Zijn kamer is een geruststellende bende. De troep geeft me het fijne gevoel dat ik voor Hugo niet perfect hoef te zijn. Hij is tenslotte ook maar een rotzooimakende student.
De lome stilte wordt verbroken door het geluid van Hugo’s mobiel. Hij komt meteen overeind en stapt uit bed. Ik krijg het er meteen koud van. Ik trek het dekbed op tot aan mijn kin en luister naar hem.
,,Hugo…Oh, hoi Gwen!…Nee, niks bijzonders…Dat klinkt gezellig!…Dat is prima…Dan zie ik je daar om zes uur…Oké lieverd, tot dan! Hoi.”
Ik huiver. Tegen mij deed hij veel koeler aan de telefoon. En zei hij nou lieverd?! Wie is die Gwen? Zou het raar staan als ik het vraag? Ach, wat kan het mij ook schelen. We hebben net seks met elkaar gehad, dus ik vind dat ik wel het recht heb om te vragen tegen wie hij “lieverd” zegt.
,,Wie was dat?” vraag ik. Hij krabt aan zijn neus en haalt zijn schouders op. ,,Oh, dat was één van mijn beste vriendinnen. Echt een schatje. We gaan vanavond samen ergens eten.” Ik kan niet zeggen dat ik erg blij ben met dit antwoord. Ik meende aan zijn stem te horen dat hij zijn Gwen ook weleens zonder kleren aan gezien heeft. Of verbeeld ik me dat nou maar? Nou ja, hoe het ook zit, ik heb nu ook geen kleren aan, dus dit is het perfecte moment om Gwen uit zijn gedachten te laten verdwijnen. Ik gooi het dekbed in één vloeiende beweging van me af. ,,Wil je er nu alweer uit? Ik dacht dat we nog maar net begonnen waren.” Hij kijkt me verwonderd aan, maar dan lacht hij. ,,Als je er zo over denkt…” Dan springt hij naast me op het bed.
De dansvloer is afgeladen. De muziek dreunt. ,,Vanavond gaat het gebeuren,” vertel ik Reina naast me voor de zoveelste keer. ,,Ja, dat heb je al gezegd!” lacht ze. Dan wordt ze bij me weggetrokken door Stef, die al weken om haar heen loopt te draaien en nu blijkbaar zijn kans grijpt. Ik lach nog naar haar, maar ik voel me een beetje eenzaam. Ik hoop dat hij snel komt. Vanavond zal ik alle anderen voor zijn.
Ik drink van mijn Breezer en wacht. Ik kijk naar de dansende stelletjes. Hij kan elk moment komen. Hij moet natuurlijk nog wachten tot het tv-programma waar zijn vader naar zit te kijken, afgelopen is. Dan pas kan zijn vader hem brengen. Dat moet het zijn. Reina komt met rode wangen weer naast me staan. ,,We hebben gezoend!” vertelt ze trots. Mijn mond valt open. Reina heeft haar eerste zoen gehad! Eerder dan ik, verdomme! ,,En hoe was het?” vraag ik nieuwsgierig. Ze giechelt. ,,Goor! Maar ook wel weer leuk! Ga jij niet dansen?” ,,Ik wacht nog steeds op hem,” zeg ik zo waardig en geduldig mogelijk. Haar gezicht betrekt. ,,Eh, Pat? Hij is er al…” Dan wordt ze weer meegetrokken door Stef. Aan haar gezicht zie ik dat ze nog wat had willen zeggen. Nou ja, laat ze maar lekker met Stef gaan dansen, ik vind hem in mijn eentje ook wel. Ik baan me een weg tussen alle dansende mensen door. Ik hoop dat ik nog op tijd ben. Ik hoop niet dat een ander meisje hem al heeft ingepikt. Dit moet mijn avond worden. En ik moet op dezelfde avond als Reina mijn eerste zoen krijgen, om niet een al te grote achterstand op te lopen.
Dan zie ik hem. Hij danst met Kelly. Als verlamd sta ik te kijken. Voor mijn ogen buigt hij naar haar toe en zoent hij haar.
Ik schiet overeind. ,,Verdomme, wat een rotdroom weer,” zeg ik hardop. Dan zie ik Hugo nieuwsgierig naar me kijken. ,,Je zei de naam van je ex-vriendje in je slaap, weet je dat?” Geschrokken kijk ik hem aan. ,,Wat zei ik dan?”
,,Je zei steeds ‘Sebastiaan’...”
