Maart: hoofdstuk 67 - 85
67. Pat
1 Maart is het vandaag, en ik voel al een klein beetje lente in de lucht. Terwijl ik wacht voor een rood stoplicht adem ik gretig in. De rest van de dag zal ik in de muffe winkellucht staan. Ik heb er absoluut geen zin in. De hele dag beleefd glimlachen en klantvriendelijk zijn. ,,Moet ik een maatje groter voor u pakken, mevrouw?” ,,Nee, we hebben ‘m écht niet meer in maat 38.” ,,Hier kunt u goed mee voor de dag komen, hoor.” En ik maar denken dat het zo leuk zou zijn om te werken in een kledingzaak. Nou ja, misschien is het leuk om te werken in een ándere kledingzaak. Ik moest natuurlijk net weer Mona’s Fashion uitkiezen, een zaak waar vooral vrouwen van een jaar of veertig kleren komen kopen waarvan zij denken dat ze er hip in uitzien. Dat wist ik natuurlijk niet toen ik er kwam solliciteren, twee maanden geleden. Ik had eindelijk besloten om te stoppen met studeren en wilde meteen een baantje, want ik wist dat het er nooit meer van zou komen als ik eenmaal zou beginnen met rondlummelen. Dus op de tweede dag van het nieuwe jaar trok ik mijn meest representatieve kleren aan en ging ik de stad in, op zoek naar een leuke winkel waar ze mijn hulp wel zouden kunnen gebruiken. Mensen verklaarden me voor gek. ,,In een winkel? Dat moet je niet doen, joh! Je moet in een callcenter/in de catering/in de thuiszorg/op een kantoor/als escortmeisje gaan werken, dan verdien je veel meer!” (De tip van het escortmeisje kreeg ik op het oudejaarsfeest in ons huis, van het nichtje van een vriendin van een huisgenootje) Maar ik zag mezelf niet de hele dag aan de telefoon zitten, noch de hele dag broodjes smeren, noch de hele dag het huis van vreemde mensen schoonmaken, noch de hele dag saaie kantoordingen doen. Ik wilde in een winkel werken, punt. En toen zag ik Mona’s Fashion, een klein boetiekje op een hoek, aan de rand van het centrum. Het zag er gezellig uit. Er waren op dat moment geen klanten, en na een vluchtige blik op de kleding leek die op zich ook wel oké. Met de kleding is in feite ook niks mis. Het zijn de mensen die erop af komen. Verwende veertigers, met een Carrière. Van die lui die hun kids dag en nacht bij de kinderopvang dumpen. Types die denken dat ze het winkelpersoneel wel even kunnen rondcommanderen.
Ik smijt mijn fiets tegen een lantaarnpaal en zet ‘m goed op slot. Dan haal ik nog eens een hand door mijn haar en stap de winkel binnen. ,,Goeiemorgen!” zegt Mona vrolijk. Mona is lief, met haar heb ik geen problemen. Zij kan er ook niks aan doen dat haar winkeltje vervelende rijke zeurpieten lijkt aan te trekken. ,,Heb je er zin in vandaag?” vraagt ze, zoals iedere morgen. En zoals iedere morgen geef ik eerlijk antwoord. ,,Nee. Ik hoop niet dat die mevrouw van gisteren weer terugkomt met die broek. Ze is al twee keer terug geweest, en iedere keer mankeert er weer iets anders aan.” ,,Als ze komt roep je mij er maar bij, dan handel ik het wel af,” belooft Mona, lief als ze is. ,,Dat zal ik doen,” zeg ik glimlachend, maar ik weet dat ik dat níet zal doen. Mona belooft dat soort dingen altijd ’s morgens, maar als het eenmaal zover is, is ze altijd druk bezig met een andere veeleisende klant, waarbij ik haar niet weg wil roepen.
Ik leg mijn jas en tas achter in het kantoortje neer, en loop weer terug de winkel in. ,,Wil jij de eerste items van de nieuwe collectie in de winkel hangen?” vraagt Mona. ,,Ik heb ze al geprijsd.” ,,Leuk!” zeg ik enthousiast, en ik meen het ook. Nieuwe dingen een mooi plekje geven is altijd mijn lievelingswerkje.
Als ik met een wijde, lichtgroene rok in mijn handen sta, denk ik opeens: deze rok zou Reina mooi vinden. Ik zucht. Ik heb Reina niet meer gesproken sinds die zondagochtend dat ze me haar brief kwam brengen. Ik heb de brief wel gelezen. Hij stond vol spijtbetuigingen, en “geloof me, het betekende echt niets”. Ik wilde haar ook wel geloven. Maar het voelde alsof er iets kapot was vanbinnen. Hoewel ik wist dat ze ieder woord van haar brief meende, kon ik mezelf er niet toe brengen contact met haar te zoeken. Ik wist dat ik in haar ogen waarschijnlijk ontzettend overdreef. In mijn eigen ogen eigenlijk ook. Het was maar een zoen. Een zoen om die Kilian terug te pakken. Zelf heb ik dat soort dingen ook zo vaak gedaan. Maar toch. Ze had gewoon de verkeerde ervoor uitgekozen. En ik kon en kan mezelf er niet overheen zetten. Eerst wilde ik haar niet meer spreken. Inmiddels is het zo lang geleden dat ik het wel wil, maar niet meer durf. Ik zal onder ogen moeten zien dat het te laat is.
68. Kilian
,,Goed, dit was het dan voor vandaag! You’re free to go! Maar zachtjes op de gang, anders krijg ik ruzie met de conrector.” De derdeklassers staan blij op en beginnen hun tassen in te pakken. ,,Relaxed, meneer!” zegt een meisje. Ik glimlach. Sinds ik iets met Reina heb, kost het me totaal geen moeite meer om een leuke leraar te zijn. Ik heb elke dag een goed humeur en bergen energie. Ik ben nog nooit zo verliefd geweest op een meisje. Dat we onze relatie geheim moeten houden maakt het extra spannend. Ik heb niks gemerkt van de winter; voor mijn gevoel is het zomer geweest vanaf het moment dat ik Reina zoende in het restaurantje in het bos. Oh, ik weet wel dat het niet altijd zo zal blijven. Dat er periodes zullen komen waarin het minder lekker gaat. Dat we ruzie zullen krijgen. Dat we zullen twijfelen. Maar zover is het nog niet. Nu is het allemaal nog geweldig. En al wéét ik wel dat het niet zo zal blijven, het voelt wel zo. En ik wil dat gevoel zo lang mogelijk vasthouden.
De klas is nog niet weg of er komt een jongen uit Reina’s klas binnen. ,,Meneer, ik wil u iets vragen,” valt hij met de deur in huis. ,,Zeg het eens,eh…” zeg ik, terwijl ik mijn hersens pijnig. Hoe heet hij nou toch ook alweer? Oh ja, Twenne, dat was het. ,,Zeg het eens, Twenne,” herhaal ik opgelucht. Hij schuifelt met zijn voeten over het linoleum. ,,Nou, het is misschien een rare vraag…” ,,De enige rare vraag is de niet gestelde vraag!” verklaar ik monter. Twenne grinnikt. ,,Oké. Het, eh, het gaat over die sonnetten die we moesten schrijven. Heeft u daar al naar gekeken?” ,,Nee,” beken ik. ,,Sorry, ik heb het nogal druk gehad. Maar ik zal die van jou er even bij pakken.” ,,Nee, nee, dat hoeft niet,” zegt hij gehaast. ,,Ik wilde u alleen om een gunst vragen.” Ik leun achterover en kijk hem geamuseerd aan. ,,Twenne, voor je verdergaat. Ik weet dat je gaat zeggen dat het zaterdag laat geworden is, dat je kat is overleden, dat je net een nieuw vriendinnetje hebt, dat je het druk hebt voor een ander vak. Dat kan me niet schelen. Je krijgt gewoon een eerlijke beoordeling. Ik doe niet aan matsen.” Hij bloost. ,,Nee meneer, daar gaat het niet om. Het is… ik weet niet of u van plan bent om die sonnetten voor de rest van de klas voor te lezen. Maar ik wilde u vragen om dat niet met mijn sonnet te doen.”
,,En waarom wel niet, als ik vragen mag? Ik was inderdaad van plan om de mooiste voor te dragen.”
Twenne wordt nog roder. ,,Nou eh… dat van mij gaat over een meisje. Een meisje uit de klas.”
Aha, een verliefde leerling. Plotseling voel ik me solidair met hem. ,,Ik zal er rekening mee houden,” beloof ik. ,,Maar mag ik je een tip geven?”
Hij kijkt me verwachtingsvol aan. Ik leun een beetje naar voren. ,,Zeg het tegen haar. Zeg dat je haar wilt. Ik weet dat het doodeng is, maar ik heb het ook overleefd. En ik heb er een prachtige vriendin aan overgehouden.”
Verward kijkt hij me aan. Hij is blijkbaar niet gewend dit soort adviezen van leraren te krijgen. ,,Eh, okee,” stamelt hij. ,,Ik eh, ik zal er over nadenken. Nou, eh, doei!” ,,Dag Twenne,” zeg ik, terwijl ik kijk hoe hij wegloopt. Ik ben benieuwd naast welk meisje ik hem over een paar dagen zal zien zitten.
69. Reina
Het is stil in Kilians kamer. Hij zit repetities na te kijken, ik blader door de krant. Wat een verschil met vroegere vrijdagavonden, toen ik uitging met Pat. Om één uur werden we steevast opgehaald door één van onze vaders, maar dat mocht de pret niet drukken. Pats vader was soms zelfs nog wel over te halen tot een biertje. Dan hadden wij weer een half uurtje extra. En soms raakte hij met iemand aan de praat en konden we écht lang blijven. Maar we konden ons nooit te erg misdragen, want hij keek wél. Toch is het wel duidelijk van wie Pat het party-gen geërfd heeft.
Ik heb vaak van die herinneringen aan haar. Ik mis haar, maar ik ben ook nog steeds boos op haar. Ik kan niet geloven dat ze onze jarenlange vrienschap zomaar weggooit. Ik heb haar verdomme een hele brief geschreven om me te verontschuldigen. Maar ze heeft me gewoon afgeschreven. Nou, dat kan ik ook. Maar toch mis ik haar. Gelukkig heb ik May en Moira. Met Moira ben ik nog steeds niet heel close, maar May is een waardige vervangster voor Pat. Helemaal aan Pat tippen kan ze niet, maar dat probeer ik te vergeten, want tussen mij en Pat is het definitief voorbij.
Ik sla een bladzijde om en frons mijn wenkbrauwen bij het kopje “grote brand in studentenhuis”. Ik lees het bericht door en ril. ,,Hier, moet je horen,” zeg ik tegen Kilian. Ik lees voor: ,,In Tilburg zijn bij een brand in een studentenhuis drie studenten zwaargewond geraakt. De brand ontstond doordat in één van de kamers een brandende kaars omviel toen de bewoner even weg was. In korte tijd stond de tweede verdieping van het pand in lichterlaaie. De meeste bewoners konden ongedeerd wegkomen. Een bewoner sprong uit het raam het brak daarbij beide benen, een arm en enkele ribben. Een bewoonster werd verrast door het vuur toen zij uit de doucheruimte kwam. Zij kon noch haar kamer, noch de trap bereiken. Een mannelijke huisgenoot trotseerde de vlammenzee om haar te redden. Beiden zijn met derdegraads brandwonden in het ziekenhuis opgenomen. De toestand van de drie slachtoffers is stabiel. Het pand is volledig verwoest. De slachtoffers die ongedeerd zijn gebleven, zijn opgevangen door ouders en vrienden.”
,,Wat vreselijk,” zegt Kilian. ,,Maar wij hebben rookmelders, hoor. Maak je maar geen zorgen.” ,,Zou je hier uit het raam kunnen springen?” vraag ik me hardop af. Kilian grinnikt. ,,Dat kan natuurlijk altijd.”
,,Nee, ik bedoel zonder meteen al je botten te breken, natuurlijk!”
,,We zitten op één hoog… misschien breek je een been, maar meer ook niet.”
,,Branden je huisgenoten weleens kaarsen?”
,,Reina, hou op! Er komt hier geen brand!”
,,Het komt gewoon opeens zo dichtbij. Omdat het een studentenhuis is, snap je? Dit is ook een studentenhuis.”
,,Weet je wel hoeveel studentenhuizen er zijn in Nederland? Als je zo gaat beginnen…” Hij komt achter me staan en slaat zijn armen om me heen. Hij geeft een kus op mijn hoofd en slaat de krant dicht. ,,Laat die krant maar liggen voor vandaag, zometeen ga je nog denken dat één van mijn huisgenoten een zelfmoordaanslag gaat plegen,” plaagt hij. Ik leun tegen hem aan. ,,Zullen we dan een film kijken?” Kilian kijkt bedenkelijk. ,,Onder één voorwaarde.”
,,Dat er niets in voorkomt dat met brand te maken heeft?”
,,Nee. Dat we ‘m vanuit mijn bed kijken.”
Ik kijk achterom. Hij lacht ondeugend. Ik ben het nare krantenbericht meteen vergeten.
70. Sebastiaan
Ze zeggen dat ik geluk heb gehad. Dat je beter al je ledematen kunt breken dan dat je derdegraads brandwonden oploopt. Dat ik zal genezen, dat ik over een paar maanden weer “normaal” zal zijn. Dat er niets meer aan me te zien zal zijn. Maar dat mijn arme huisgenoten voor de rest van hun leven verminkt zijn. Nou ja, dat laatste zeggen ze er niet bij. Maar dat is overduidelijk wel wat ze bedoelen. Mensen zullen niet terugdeinzen als ze mij zien lopen. Ik zal gewoon weer de knappe Sebastiaan zijn. Ik zal gewoon weer kunnen womanizen. Ook al ben ik al mijn spullen kwijt. Ook al betwijfel ik of ik ooit nog een nacht zal slapen zonder nachtmerries. Ook al zal ik voorlopig weer bij mijn ouders wonen. Ik heb geluk gehad.
Ze zeggen ook dat het niet erg is om het niet met ze eens te zijn. Ze zeggen dat ik me niet schuldig moet voelen omdat ik niet vind dat ik geluk heb gehad, ook al zal ik niet door het leven hoeven gaan met dichtgeschroeide ogen of met slechts een halve neus. Ze zeggen dat het “oké” is dat ik me zo voel. Dat het begrijpelijk is. Dat het erbij hoort. Ze zijn ontzettend aardig en begripvol. Daar worden ze tenslotte ook voor betaald. Ze zeggen dat ik blij moet zijn dat ik zo snel geopereerd ben. Ze hopen waarschijnlijk dat ik dat door zal vertellen, want dat zal het imago van dit ziekenhuis zeker goeddoen.
Karin zegt dat ik cynisch ben. Ze komt elke dag twee keer langs om aan mijn bed te zitten huilen. Ze is zo blij dat ik er nog ben, zegt ze keer op keer, want na haar moeder had ze er niet aan moeten denken om mij ook nog eens te verliezen. ,,Als je straks mijn rolstoel door de stad moet duwen denk je daar vast anders over,” zeg ik dan. Maar ze verzekert me dat dat niet zo is, en vervolgens noemt ze me dus cynisch. Mijn moeder is dat met haar eens. ,,Maar dat komt door de shock,” vertelt ze Karin dan zachtjes. Ze denkt blijkbaar dat ik ook iets aan mijn gehoor mankeer. Ik heb verdomme geen shock. Ik ben alleen maar heel erg boos, en dat was toch begrijpelijk? Zelf vind ik het in elk geval wel heel begrijpelijk dat ik boos ben nu ik alles ben verloren: mijn kamer, mijn kleren, mijn computer, mijn foto’s, mijn goede nachtrust, het vermogen om meer delen van mijn lichaam te kunnen bewegen dan alleen mijn linkerarm. En dat er dan mensen zijn die durven te beweren dat ik geluk heb gehad, dat vind ik ongelofelijk. Mijn leven is verwoest. Wat een geluk.
71. Kilian
Ik geef Reina een laatste kus. ,,Nou, wegwezen jij. Je moet huiswerk maken. En vergeet Engels niet!” Ze steekt haar tong tegen me uit en huppelt de trap af. Grijnzend kijk ik haar na. Dan doe ik de deur dicht. Het was een leuk weekend, maar nu moet ik toch echt maar eens naar die sonnetten gaan kijken. Bah. Correctiewerk is eigenlijk wel het laatste waar ik nu zin in heb. Maar ja, daar ben je leraar voor. Ik ga dus aan de tafel zitten en haal de sonnetten uit mijn map. Met een diepe zucht begin ik aan de eerste.
Clouds above go sailing by
I found my meaning in this life
Clear white is flying in my eyes underneath the clear blue sky
The waves come rolling in with the tide
Dit komt me bekend voor. Ik loop naar mijn computer en tik “clouds above go sailing by” in bij Google. En jawel hoor; de songtekst van het welbekende nummer van Racoon rolt over mijn scherm. Hoera, de eerste fraudeur hebben we alweer te pakken. Ik zet met mijn rode pen een grote streep door het gedicht en schrijf erbij: ,,Jatwerk! Bovendien heb je de vorm van het sonnet niet goed begrepen: 2 x 4 regels, 2 x 3 regels!” Zuchtend leg ik het papier opzij. Tijd voor de volgende.
Dit is weliswaar een sonnet, maar het loopt bijzonder stroef. Van rijmen heeft dit meisje niet veel kaas gegeten en van metrum ook niet. Maar ze heeft het in elk geval geprobeerd. Ik geef haar een 5,5. Zo werk ik me door het ene sonnet na het andere heen. Sommigen zijn best goed, sommigen zijn afgrijselijk. Ik kom er nog twee tegen die geheel of gedeeltelijk uit een liedje gekopieerd zijn. Ik schrijf er hetzelfde bij als bij het eerste sonnet.
Dan heb ik opeens het sonnet van Twenne in mijn handen. Het sonnet over een meisje uit de klas, dat ik niet mocht voorlezen. Met hernieuwde interesse begin ik eraan.
With you blonde hair and your blue eyes
You make my heart beat fast
When with you, I’m undisguised
How long will it last?
Every day you’re close to me
But you don’t seem to care
When will you ever be with me
Will you be there to share?
Look around and see me standing
Next to you with my heart in my hands
See my eyes, they’re so demanding
I wonder if there’ll be a chance
Will you ever notice me?
Will you ever set me free?
Een beetje teleurgsteld laat ik me achterover vallen in mijn stoel. Hij noemt niet eens een naam! Hij zégt niet eens dat het onderwerp van het sonnet bij hem in de klas zit! Hij zegt alleen maar dat ze blond haar en blauwe ogen heeft, nou, dat hebben er zoveel. Ik snap niet waarom hij hier zo’n ophef om gemaakt heeft. Een gevoelig verliefd hart, vermoed ik. Ik schrijf er wat opmerkingen bij over zijn hier en daar wat zwakke Engels en rammelende metrum, en dan leg ik het weg. Ik ben benieuwd waar Reina’s sonnet over zal gaan, want dat ben ik ook nog niet tegengekomen.
72. Pat
,,Maakt dit me niet een beetje dik?”
,,Nee hoor, mevrouw, het maakt u helemaal niet dik.”
,,Nee, ik bedoel, met die streepjes… streepjes maken altijd dik.”
,,Bij sommige mensen misschien, maar u kunt het makkelijk hebben, hoor.”
,,Hmm… ik vind ‘m wel leuk… maar ik weet het nog niet.”
,,Ik kan ‘m wel voor u apart hangen, als u dat wilt? Dan kunt u er nog een nachtje over slapen.”
,,Ja, dat is goed, dan kom ik morgen wel terug.”
Tevreden verdwijnt de klant het pashokje weer in. Ik ben benieuwd of ze morgen nog terugkomt. Waarschijnlijk heeft ze dan alweer een ander idee en is ze dit truitje helemaal vergeten. Zo gaat dat zo vaak. Ik wacht geduldig tot ze zich heeft omgekleed. Ik hoor een gesmoorde kreet van achter het gordijn. Waarschijnlijk werkt ze zich met moeite uit ons truitje, of in haar eigen. ,,Lukt het, mevrouw?” vraag ik met mijn meest suikerzoete stemmetje. ,,Ja hoor!” piept ze, duidelijk gegeneerd. Wat ben ik toch een trut. Met een rood hoofd komt de vrouw uiteindelijk het hokje uit. Ik neem het truitje van haar aan. ,,Morgen voor vijven kunt u ‘m komen ophalen.” Ze knikt. ,,Dank u wel. Maar ik weet het nog niet, hoor.” Ik glimlach nog een keer gemaakt naar haar. ,,Denkt u er maar rustig over na.” Dan loop ik naar de toonbank om het truitje weg te hangen.
,,Zo, wat kun jíj klantvriendelijk zijn,” hoor ik dan opeens een stem achter me. Met een ruk draai ik me om. ,,Max!” Hij grijnst, buigt voorover en geeft me een dikke knuffel. ,,Heb je al pauze gehad?” Ik schud mijn hoofd. ,,Zal ik vragen of ik nu weg mag?” Gelukkig heeft Mona, die achter de kassa staat, dat al gehoord. ,,Ga maar hoor, Pat,” zegt ze. ,,De klanten gaan nu ook allemaal lunchen.”
Twee minuten later loop ik arm in arm met Max door de stad. Max is de enige van Nederlands met wie ik nog omga. De anderen spreek ik nooit meer. De meiden met wie ik altijd uitging, die ik als vriendinnen beschouwde, hebben nooit meer contact met me gezocht. Dat heeft me wel gekwetst, maar ja, als ik was blijven studeren waren ze ook wel een keer door de mand gevallen. Toch vind ik het niet leuk dat ik zo weinig vrienden heb op dit moment. Ik heb Max, en een paar huisgenootjes waar ik leuk mee omga, en that’s it. Een beetje magertjes voor mijn doen. Maar ik hou mezelf voor dat dit maar tijdelijk is. Even doorbijten. Straks ga ik weer studeren en dan komen die nieuwe vrienden vanzelf.
,,Wat ben je stil,” merkt Max op. Ik zucht. ,,Ik was aan het overwegen hoe weinig vrienden in op dit moment eigenlijk heb.” Hij lacht. ,,Maar ik tel voor tien, dat weet je toch?” We lopen een klein eetcafeetje binnen, gaan aan een tafeltje zitten en bestellen allebei een broodje brie. ,,Zo, en hoe is het met Pat?” vraagt Max. Ik zucht. ,,Saai. Elke dag werken, werken, werken. Niks leuks.”
,,Maar dat wilde je toch juist, niks leuks?”
,,Dat dacht ik… maar ik wilde gewoon geen slet meer zijn. Ik wil nog weleens naar een feestje. Weet jij niks?”
Hij denkt even na. ,,Nee, eigenlijk niet. Simon en ik gaan niet zo heel veel uit. Ik let er gewoon niet op.” Ik kreun wanhopig. ,,Hoe moet dat nou met mij? Ik ga nog dood van verveling!” ,,Dan zal ik je wel waarschuwen als er weer eens een Nederlands-feestje is, goed?” belooft hij. Ik knik, maar ik voel nog steeds de onrust borrelen vanbinnen. En ik weet dat ik binnenkort ga zorgen dat er iets gebeurt, al weet ik nog niet wat.
73. Reina
,,Ik word gek!” roept May wanhopig uit, terwijl ze haar wiskundeboek kwaad dichtklapt. Ze trekt het slordige knotje uit haar blonde haar. ,,Ik ga zó’n laag cijfer halen morgen.” ,,Wat snap je niet?” vraag ik geduldig. Ik ben ook geen ster in wiskunde, maar als je het allemaal al een keer gehad hebt, is het wel een stuk simpeler. ,,Die normale verdeling,” kreunt ze. ,,Die shit-tering-klote-normale verdeling. Abnormale kutverdeling.” Ik moet lachen. ,,Nou, rustig maar. Het lijkt heel ingewikkeld, maar als je het eenmaal ziet, is het eigenlijk best makkelijk.” Ik sla haar boek weer open en zoek het begin van het hoofdstuk. ,,Kijk, we beginnen bij het begin. Hier in het midden zie je de 0, dat is…”
,,Eh… mag ik wat vragen?” Ik kijk verstoord op en betrap May op een opgeluchte blik. Naast ons tafeltje staat Twenne, een wat stille jongen uit onze klas. Hij stapt niet zo vaak op mensen af om uit zichzelf iets te vragen, dus dit moet een bijzondere gelegenheid zijn. Tot mijn ergernis kijkt hij echter alleen May aan. Die lacht lief naar hem. ,,Als het over wiskunde gaat, mag je aanschuiven,” zegt ze. ,,Reina gaat me net de normale verdeling uitleggen.” ,,Oh,” zegt Twenne. ,,Oh, nou, eh, graag.” Hij zegt niet of zijn vraag daar ook echt over ging, maar gaat naast May zitten. Als hij naast mij zou komen zitten zou hij veel beter in het boek kunnen kijken, maar daar gaat het hem blijkbaar niet om.
,,Oké,” begin ik opnieuw. ,,Hier in het midden staat de 0…” Ik probeer zo duidelijk mogelijk uit te leggen wat ik weet, maar de boodschap lijkt niet echt over te komen. May kijkt strak in het boek, met een frons die steeds dieper lijkt te worden. En Twenne staart maar wat voor zich uit. Ik heb duidelijk niet het uitleg-talent van Kilian. Ik hou onzeker mijn mond. ,,Misschien kunnen jullie dit beter aan meneer Staartjes vragen. Ik kan niet zo goed zeggen wat ik nou precies bedoel.” May zucht moedeloos. ,,Ik begrijp er toch geen zak van, wie het ook uitlegt.” Twenne kijkt me dommig aan. ,,Ik wou eigenlijk iets anders vragen.” Waarom heeft hij dat dan niet meteen gezegd? Ik verbijt een geïrriteerde zucht. ,,Wat wilde je vragen dan?” Hij kijkt moeilijk. ,,Eh… weten jullie of Duits doorgaat? Want ze zeiden dat het misschien zou uitvallen.” Zoveel gedoe om zo’n simpele vraag! May knikt. ,,Ja, Duits valt uit. Dus we kunnen lekker een uurtje eerder weg!” ,,Oké,” knikt Twenne. Hij blijft zitten. Er valt een gespannen stilte. Gelukkig gaat dan de bel. Ik heb geen zin om hier nog langer te zitten, dus ik besluit even naar Kilian te lopen. Eigenlijk zou ik zoiets natuurlijk niet moeten doen, maar ik doe het normaal nooit. Het kan toch moeilijk achterdocht wekken als je in de pauze even iets aan een leraar gaat vragen. ,,Ik ga even iets aan meneer de Booij vragen,” zeg ik, en ik sta op, May en Twenne met z’n tweeën achterlatend. Waarschijnlijk doe ik Twenne daar in elk geval een groot plezier mee.
74. Sebastiaan
,,Goedemorgen!” jengelt een veel te vrolijke stem me uit mijn ochtendsluimer. ,,En hoe voelen we ons vandaag?” Ik doe één oog open. Naast mijn bed staat de hoofdverpleegster, een manwijf met kort borstelhaar en een onverwoestbaar humeur. ,,Ik zou me al een stuk beter voelen als ik hier ooit eens normaal kon slapen,” snauw ik haar toe. ,,De hele nacht word ik wakker van weet ik veel wat jullie allemaal doen. Kunnen jullie ’s nachts niet gewoon slapen, zoals normale mensen?” De hoofdverpleegster zucht. ,,Ik wilde je net goed nieuws komen brengen, Sebastiaan. Zal ik dat dan maar even bewaren voor als je een wat beter humeur hebt?” ,,Ja, maak me ook nog maar eens blij met een dooie mus,” brom ik. ,,Ik wil dat goeie nieuws horen, nu.” De hoofdverpleegster sjort monter mijn hoofdeinde omhoog. ,,Je mag over twee dagen naar huis!”
Even voel ik blijdschap oplaaien, maar die dooft meteen weer. ,,Ik heb geen huis meer. Ik heb helemaal niks meer.” Ze laat zich niet van haar stuk brengen. ,,Je snapt best wat ik bedoel. Je mag naar je ouders. Geloof me, daar zul je je meteen een stuk beter voelen. Dan kun je tenminste weer een beetje verder met je leven.” Ongelovig staar ik haar aan. ,,Vérder met mijn leven? In Kamerik, met drie gebroken poten? Zonder vrienden, zonder studie, maar met mijn moeder die me loopt te betuttelen? Hoe kan ik daar in godsnaam verder met mijn leven?” ,,Je mag van geluk spreken,” gaat de verpleegster onverstoorbaar door. ,,Dat alles bij jou thuis gelijkvloers is. Anderen moeten in het ziekenhuis blijven tot ze loopgips hebben, maar jij kunt thuis gewoon met je rolstoel uit de voeten.” Plotseling herinner ik me vaagweg hoe trots ik er vroeger op was dat ik in een bungalow woonde. Ik vond het chic, ik vond het klasse hebben. Maar nu kan het me allemaal niks meer schelen. Het lijkt wel alsof alle kleur uit het leven is weggetrokken. Alles voelt grijs. Ik staar naar de lichtgeel geverfde deur en zwijg. De verpleegster trekt zich er niks van aan. ,,Als je loopgips krijgt, ga je twee keer per weer naar revalidatie. Als het loopgips eraf gaat, wordt dat vier keer per week. Hoe sneller je weer kunt lopen, hoe beter, tenslotte!” Ik zwijg nog steeds. De verpleegster houdt nu ook haar mond. Eindelijk, zeg. Een hele tijd kijkt ze naar me. Ik doe alsof ik het niet merk en blijf strak naar de deur staren. ,,Weet je, Sebastiaan,” zegt ze na een hele tijd. ,,Ik denk dat het tijd wordt dat jij met iemand gaat praten.” Ik haal onverschillig mijn schouders op. ,,Stuur maar op me af wie je wilt. Het helpt toch allemaal niks.” Ze doet alsof ze dat laatste niet gehoord heeft. ,,Ik zal vandaag proberen zo snel mogelijk een afspraak voor je te maken met onze traumapsycholoog. Het liefst nog voor je hier weg bent. Ik laat je zo snel mogelijk weten wanneer je verwacht wordt.” Ik knik. ,,Best.”
,,Goed!” zegt ze opgewekt, alsof dit het einde is van een leuk gesprek. ,,Over een kwartiertje komt je ontbijt eraan. En daarna komt de zuster om je te helpen met douchen.” Ik kijk hoe ze de kamer uit marcheert. Een golf van wanhoop overspoelt me. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?
75. Kilian
Ik buig me net over het spijkerschrift van een tweedeklasser als ik een zacht klopje op mijn deur hoor. ,,Binnen!” roep ik. De deur gaat open en Reina stapt het lokaal in. Ze doet de deur achter zich dicht. ,,Zo, meneer de Booij,” zegt ze glimlachend. ,,Zit u in de pauze eenzaam in uw lokaal? Wilt u niet genieten van het mooie weertje buiten?” We kijken beide naar buiten. Het regent pijpenstelen. Ik kijk weer naar Reina en voel me een beetje ongemakkelijk, zoals altijd wanneer ik op school alleen met haar ben. Alsof er ieder moment iemand binnen zou kunnen komen die ons geheim zou kunnen verraden. Zelfs nu, nu er een afstand van anderhalve meter tussen ons is. ,,Wilde je iets vragen?” informeer ik, en ik hoor hoe koeltjes en leraar-achtig dat klinkt. Ze schudt haar hoofd. ,,Ik kwam gewoon even kletsen. Ik zat in de aula met May, maar die zit Twenne nu te versieren. Het is saai om daarbij te zitten.” Ik knik. Aha, dus het was May, denk ik bij mezelf. Maar ik voel me te weinig op mijn gemak om er lang bij stil te staan. De dichte deur maakt het er niet beter op. ,,Die deur moet je open laten, Reina, dat weet je,” zeg ik. ,,Dat is verplicht.” Ze zucht. ,,Okee, okee. Ik had gedacht dat je het wel leuk zou vinden om me te zien.” ,,Vind ik ook wel!” zeg ik gauw, voor ze boos wordt. Ze gooit de deur verdacht hard open. ,,Je weet hoe snel ze er iets van gaan denken,” zeg ik zachtjes. Ze glimlacht ondeugend. ,,Denken ze er ook wat van als ik u erop wijs dat er een vlek op uw broek zit, meneer? Kijk, hier.” Ze doet een stap naar voren en aait heel licht met haar hand over mijn bovenbeen. Ik vind het niet prettig als ze zo doet. Ze speelt met vuur en ze weet het. En ik kan slecht tegen de kalme manier waarop ze het doet. ,,Hou op,” zeg ik, en weer klinkt het bruusker dan ik het bedoeld had. Ze trekt een pruillipje en doet nog een stapje naar voren. ,,Nou zeg. Heeft u soms een zware ochtend achter de rug, meneer?” Nu staat ze me gewoon te treiteren. Ze is echt in een vreemde stemming vanmorgen. ,,Wil je alsjeblieft een beetje afstand houden!” sis ik. ,,Ik vind je niet grappig, Reina! Dit kan niet en dat weet je!” Ze zucht. ,,Goed, goed, ik snap het. Nou, dan ga ik maar weer. We bellen wel, ja?”
Ze heeft het nog niet gezegd, of er wordt al op de open deur geklopt. Een verlegen brugklasser kijkt ons aan. Een moment word ik beheersd door blinde paniek. Dit is het. Dit is het moment. Nu zijn we erbij. In een flits zie ik mezelf thuis zitten, werkloos, met een bordje om mijn nek waarop staat “schuldig aan seksuele intimidatie”. Dan pakt Reina opeens een map van mijn bureau. ,,Oh, dit moet ik natuurlijk ook meenemen,” zegt ze gespeeld luchtig. ,,Dan hoor ik vanavond wel wat u ervan denkt. Trouwens, ik vind het echt ontzettend leuk om hier stage te lopen!” ,,Insgelijks,” kras ik schor. Reina glimlacht nog even hooghartig naar de brugklasser. Dan laveert ze het lokaal uit. Ik barst bijna van bewondering voor haar. En de brugklasser ook, volgens mij.
76. Pat
Het stortregent als ik me met Mona’s paraplu door de winkelstraten haast. Het is gekkenwerk om met dit weer naar buiten te gaan, maar ik heb ontzettend veel zin in zo’n heerlijke hotdog van de Hema. ,,Heb je geen brood bij je?” vroeg Mona nog verbaasd, toen ik vroeg of ik haar paraplu mocht lenen voor mijn expeditie. Ik heb wel brood bij me, maar ik móet er even uit. Ik móet zo’n hotdog hebben. Ik ben niet het type dat de ene dag na de andere kan slijten in dezelfde winkel, met dezelfde bezigheden, met dezelfde collega’s. Ik ben niet het type dat braaf haar thuis gesmeerde brood, meegenomen in een plastic zakje of een broodtommeltje, opeet in de pauze. Dit is geen leven voor mij. Ik moet er even uit.
Een meisje met een rode bodywarmer en dito paraplu duikt vlak voor mijn neus op en verspert me de weg. ,,Hallo! Mag ik jou wat vragen?”
,,Nou, eigenlijk heb ik nogal haast. Ik moet zo terug naar mijn werk.”
,,Heel kort maar!”
Ik zucht. ,,Nou, vooruit. Maar ik zeg waarschijnlijk toch nee.”
Het meisje lacht. Ze denkt blijkbaar dat ik een grapje maak. ,,Heb je weleens gehoord van Sparen Voor De Dieren?”
,,Nee.” (Sukkel! zeg ik tegen mezelf. Je moet ja zeggen! Zeggen dat je er al lid van bent! )
Het meisje gaat er eens goed voor staan en steekt van wal. ,,Sparen Voor De Dieren is een organisatie die vooral actief is in landen als Polen, Hongarije, Bulgarije, Algerije en Oekraïne. Met ons unieke spaarsysteem sparen leden elke maand een klein bedragje op dat wordt gedoneerd aan het Dierenfonds dat zorgt dat dieren in die landen een beter leven krijgen. We…”
,,Maar dieren in het Oostblok hebben het toch helemaal zo slecht nog niet?” val ik haar in de reden. ,,Waarom bekommeren jullie je niet om de dieren in Irak? Die hebben het volgens mij een stuk beroerder.” Het meisje zwaait belerend met haar vinger, een gebaartje dat me meteen ontzettend irriteert. ,,Fout!” zegt ze scherp. ,,Dat denken ze meeste mensen. Maar je moet wel bedenken, dat de landen waar ik het nu over heb, tien jaar geleden ont-zet-tend arm waren. En dat mensen nog steeds de mentaliteit hebben dat huisdieren overbodig zijn. Daarom lopen er enorm veel magere dieren rond daar.”
Ik probeer mijn lachen in te houden. ,,Gaan die dan niet gewoon jagen? Of zijn de muizen, de konijnen en de vogeltjes daar ook uitgestorven?”
Het meisje lijkt even van haar stuk gebracht. ,,Daar gaat het niet om!” zegt ze dan snel. ,,Onderzoek heeft uitgewezen dat…”
Ik onderbreek haar weer. ,,Sorry, maar hier heb ik echt geen tijd voor. Ik ga toch niks doneren.”
,,Kun je echt geen drie euro per maand missen?”
,,Nee! En nu ga ik een hotdog kopen en terug naar mijn werk. Veel succes nog.”
,,Eén hotdog minder per maand, en je hebt het leven van een dier in Bulgarije gered!” roept ze me nog na. Ik doe alsof ik het niet gehoord heb. Hoofdschuddend loop ik verder. Wat een tijdverspilling. En wat zielig voor dat kind dat ze zo haar dagen moet doorbrengen. Dan is Mona’s Fashion toch echt zo slecht nog niet.
Maar toch, denk ik bij mezelf, als ik genietend van mijn hotdog terug loop, met een omweggetje zodat ik het Sparen Voor De Dieren-meisje niet meer tegenkom, toch weet ik niet of ik dit nog tot augustus volhoud. Mijn leven is een sleur geworden. Elke dag is hetzelfde. Nooit meer een feestje. Nooit meer iets leuks. Max wil alleen maar cocoonen met Simon. Mijn huisgenoten hebben allemaal hun eigen vrienden waar ze dingen mee willen doen, en we doen zelden iets samen. Alleen Joost zou waarschijnlijk wel een keer met me uit willen, maar dat wil ik dan weer niet. Ik kan wel zeggen dat ik iets wil doen, dat ik iets gá doen, maar de waarheid is hard: er ís niets te doen. Niets behalve alleen uitgaan en iemand oppikken. Maar dat wil ik juist niet meer. Ik zal er vrede mee moeten hebben dat er niets leuks te doen is, dit halve jaar. Nou ja, des te meer zal ik straks weer genieten van het studentenleven. Het enige probleem is dat ik nog steeds geen flauw idee heb wat ik moet gaan doen.
77. Sebastiaan
Na het douchen heb ik altijd een paar uur nodig om bij te komen van die vernederende ervaring. Als een oude man word ik in een speciale stoel gehesen en gewassen door een ongeïnteresseerde verpleegster. Alleen mijn kruis wast ze niet; dat mag ik zelf doen. Ze drukt dan de spons in mijn hand, zegt kortaf dat ik het moet zeggen als ik klaar ben en gaat om het hoekje staan wachten. Dan klungel ik een tijdje met mijn linkerhand, tot ik redelijk schoon ben. Als de verpleegster weer tevoorschijn komt, zet ze de douche uit, droogt me hardhandig af, hijst me uit de stoel en in mijn rolstoel en kleedt me aan. Mijn moeder heeft een paar foeilelijke, veel te grote pyama’s voor me gekocht, die alleen maar bijdragen aan mijn oude man-gevoel. Ik heb me nog nooit zo ellendig gevoeld.
Nu lig ik dus bij te komen van de douche-vernedering. Ik wou dat er iemand in de buurt was op wie ik me kon afreageren, maar de twee bedden naast me zijn leeg. Mijn moeder heeft gisteren nog gevraagd of ze me niet naar een andere kamer konden verplaatsen, waar ik wat meer gezelschap zou hebben, maar de verpleegster antwoordde alleen maar dat ik dat op deze kamer ook snel genoeg zou krijgen. Maar ik vermoed dat ze deze bedden alleen aan heel vervelende patiënten geven, die dan voor straf bij mij moeten liggen en naar mijn gekanker moeten luisteren.
Ik staar uit het raam. Het is opgehouden met regenen, maar de lucht is nog steeds grauw. Een eenzame meeuw scheert voorbij. Wat ben ik jaloers op die klotemeeuw, die daar zo lekker vliegt, die kan gaan en staan waar hij wil, die zich kan bewegen. Ik lig hier als een schim van mezelf. Het enige wat ik kan bewegen zijn mijn linkerarm en mijn hersenen. Met de eerste bedien ik de afstandsbediening van de televisie, met de tweede vraag ik me non-stop af waar ik dit aan verdiend heb. Waarom moest mijn leven zo’n hel worden?
Het begon hier natuurlijk niet mee. Het begon met Karins moeder, en de verantwoordelijkheid als Vriend die op mijn schouders neerkwam. Eerst ging die me goed af. Ik ging mee naar de begrafenis, waar ik Karin de hele tijd heb vastgehouden terwijl ze snikkend tegen me aanhing. Ze huilde zo erbarmelijk dat ik op een gegeven moment zelf ook mee begon te doen. Na de begrafenis was het kerstvakantie en waren we allebei in ons ouderlijk huis, maar ik zocht haar zo vaak mogelijk op. Ik steunde haar, luisterde naar haar, praatte met haar, troostte haar, knuffelde met haar en bedreef heel soms voorzichtig de liefde met haar. Ze was een wrak, en een jaar geleden had dat me ongetwijfeld mateloos geïrriteerd, maar nu vond ik het niet vervelend. Het was alsof mijn gevoel was uitgeschakeld. De echte Sebastiaan had ik ergens diep vanbinnen weggemoffeld, en de model-Sebastiaan had het overgenomen. Dat bleef zo toen we weer teruggingen naar Tilburg. Karin kon slecht alleen zijn en trok praktisch bij me in, waar mijn huisgenoten duidelijk niet al te blij mee waren, maar ze durfden er niets van te zeggen. Stuur maar eens iemand weg die net haar moeder verloren heeft, tenslotte. Mijn leven kwam neer op Karin en studeren, Karin en studeren, Karin en studeren. Als een soort robot ging ik door, de hele miezerige, waterkoude winter lang. Uitgaan was er niet meer bij. Womanizen al helemaal niet.
Natuurlijk moest het een keer mis gaan. Ik werd uitgenodigd voor het verjaardagsfeestje van een studiegenoot. Na twee maanden besloot ik dat ik nu wel weer eens naar een feestje kon gaan. Ik kon moeilijk de rest van mijn leven om Karins moeder rouwen, tenslotte. Ik vroeg nog of ze misschien zin had om mee te gaan, maar dat had ze niet. Moe, zei ze. Dus die avond bleef ze op mijn kamer om een film te kijken. Nu vond ik het toch wel een beetje al te gek worden, maar ik durfde er niks van te zeggen. Want stuur maar eens iemand weg die net haar moeder verloren heeft…
Ik ging dus naar dat feestje. Zodra ik binnenkwam, werd de oude Sebastiaan weer wakker. Ik sloeg het ene biertje na het andere achterover en had de tijd van mijn leven. Na een tijdje viel mijn oog op een beeldschoon meisje. We raakten aan de praat, hoe weet ik niet eens meer, maar binnen de korste keren waren we op weg naar haar kamer.
De volgende morgen werd ik wakker in haar bed. Zij was nergens meer te bekennen. Ik wist niet eens meer hoe ze heette. Met een enorme kater en een gigantisch schuldgevoel strompelde ik terug naar mijn eigen kamer. Karin was er al niet meer. Ik belde haar, maar ze nam niet op. Ik sprak haar voicemail in, zei dat ik zo dronken was dat ik bij die studiegenoot was blijven slapen. Ik putte me uit in excuses. Natuurlijk had ik haar even moeten bellen, ik was een ongelooflijke klootzak, ik zou nooit meer naar een feestje gaan… Ze belde niet terug. Die middag brak de brand uit.
Ik word uit mijn gedachten opgeschrikt door de hoofdverpleegster, die mijn kamer binnen komt marcheren. ,,Sebastiaan! De traumapsycholoog heeft nu even een gaatje voor je!” Ik kijk haar aan. ,,Oh.” Ze sjort me overeind. ,,Kom, een beetje meewerken graag. Ik beloof je dat je je staks beter zult voelen.” ,,Dat moet ik nog zien,” brom ik. Maar ik laat me gewillig in mijn rolstoel helpen. Ik heb weinig keus.
78. Reina
Nog nagloeiend van mijn stoere actie loop ik het aardrijkskundelokaal in. Ik heb mezelf voorgedaan als stagiaire! Wat een fantastisch idee was dat! En wat prachtig dat ik daar precies op het goeie moment achter kwam! Oh, wat zal Kilian trots op me zijn. Hij is duidelijk banger uitgevallen dan ik, dus hij zal wel blij zijn dat ik ons gered heb. En ook wel een beetje boos, vermoed ik. De eerstvolgende keer zal hij wel een “zie je wel”-preek afsteken en me verbieden hem ooit nog in de pauze op te zoeken. Soms is hij écht een leraar.
Maar goed, dat is allemaal van later zorg: nu ga ik nog even genieten van het feit dat ik zo geweldig ben geweest. Volgens mij straalt het er gewoon vanaf als ik met grote, nonchalante stappen naar mijn vaste plaats naast May loop en…
Oh. Mijn vaste plaats naast May is bezet. Door Twenne. Even blijf ik verbouwereerd staan, dan lach ik vriendelijk naar ze en ga ik aan het lege tafeltje voor hen zitten. Ik gooi mijn rugtas erop en draai me half om, klaar om een gesprek te beginnen. Maar ze zijn druk met elkaar aan het praten en slaan totaal geen acht op mij. Nou zeg. Een beetje verontwaardigd draai ik me om.
,,Jongelui, we gaan beginnen!” roept mevrouw Bos. ,,Sla jullie boeken open op pagina 48. We gaan het vandaag hebben over de ontbossing van…”
Ik doe braaf mijn boek open, maar zodra ik hoor dat ze begint over die ontbossing, dwaal ik af. Ik kan er nog steeds niet over uit dat ik Kilian en mezelf zo mooi gered heb. Zoiets is nooit eerder nodig geweest, maar we zijn ook nooit eerder zo onvoorzichtig geweest. IK ben nog nooit eerder zo onvoorzichtig geweest. Kilian had geen zin om het risico te nemen. Normaal zou ik dat ook niet snel gedaan hebben, maar nu was ik gewoon… baldadig, denk ik, dat is het woord. Door dat stomme wiskunde-examen waar iedereen zo zenuwachtig is en door dat geflirt van May en Twenne.
Toch hebben we eigenlijk ontzettend veel geluk gehad, bedenk ik opeens. Het is niet moeilijk om een brugwup voor de gek te houden, maar er had ook iemand kunnen aankloppen die iets moeilijker om de tuin te leiden valt: een andere zesdeklasser, bijvoorbeeld, of erger nog: een leraar…
Opeens word ik gegrepen door een gevoel van paniek. Ik probeer het nog tegen te houden: ik ben goed bezig geweest, ik heb ons gered, ik moet niet piekeren… Maar het lukt niet. Ik realiseer me opeens hoe ontzettend stom ik geweest ben. Dit had Kilian zijn baan kunnen kosten! Waarom heb ik daar niet bij nagedacht? Wat zal hij boos zijn! Plotseling voelt het alsof ik een steen in mijn maag heb liggen. Mijn gekke bui is voorbij. Ik vind mezelf een ongelooflijke idioot.
79. Pat
Ik eet het laatste stukje van mijn hotdog op. Dit is het minst lekkere stukje: er zit geen worst meer in, alleen maar saus. Ik veeg mijn lippen af en gooi het vettige servetje in de prullenbak. Het is alweer bijna gedaan met de vrijheid. Alleen nog deze straat door, en dan ben ik alweer bij Mona’s Fashion. Ik kijk op mijn horloge en maak een kort rekensommetje. Nog vier en een half uur werken, dan mag ik naar huis. Het is vier uur geleden dat ik begon. Ik ben nog niet eens op de helft, terwijl het moment dat ik mijn fiets hier op slot zette ontzettend lang geleden lijkt. Nog vier en een half uur stomme vragen beantwoorden, zeggen dat iets echt geweldig staat, door elkaar gegooide stapeltjes kleren opnieuw vouwen en opstapelen, lukraak teruggesmeten kledingstukken op de juiste plaats terughangen, maat 40 zoeken in het magazijn, zeggen dat we maat 40 alleen nog in het roze hebben, labeltjes afknippen, afrekenen, vragen “heeft u er twee euro bij?”… En niet alleen vandaag. Morgen ook nog, en overmorgen, en volgende week, en volgende maand, en over drie maanden nog steeds. Waarom doe ik dit eigenlijk nog als ik het zo vreselijk vind?
Van die gedachte schrik ik zo dat ik abrubt stilsta. Een man botst tegen me op en krijgt bijna een punt van mijn paraplu in zijn oog. ,,Stomme trut, kun je niet uitkijken!” roept hij, terwijl hij over zijn oog wrijft, terwijl de punt zijn gezicht niet eens raakte. ,,Nee, dat kan ik niet,” vertel ik hem koeltjes. ,,Ik krijg namelijk opeens een briltjante ingeving.” Hij mompelt iets over “niet helemaal honderd zeker” en loopt door. Ik niet. Ik blijf even staan om na te denken. Natuurlijk zou het lullig zijn tegenover Mona om haar nu in de steek te laten, nu ik er net twee maanden werk. Maar ze zal snel iemand anders gevonden hebben. Er zijn genoeg meiden die het wél leuk vinden om in een kledingwinkel te werken. En dit is mijn vrije halfjaar, toch? Zo vrij als nu zal ik hierna nooit meer zijn. Ik moet het niet voor mezelf verpesten met werk dat ik niet leuk vind. Ik kan alles doen wat ik wil, en ik doe dit! Dat is toch eigenlijk belachelijk! Dat moet Mona toch ook begrijpen.
Toch voel ik een akelige knoop in mijn buik als ik de winkel binnen loop. Ik besluit het maar meteen te doen. Aan briljante ingevingen moet je direct gehoor geven, en dan ben ik er maar vanaf. Gelukkig is het even rustig. In het hoekje kijkt een mevrouw tussen de nieuwe zomerjasjes. Mona staat shirtjes op te vouwen. Ze kijkt achterom. ,,Ah, daar ben je. Was het wel een beetje te doen buiten, met die regen?” Ik knik. ,,Jawel hoor. Maar ik eh… ik moet je iets vertellen.” Ze zegt niets, maar haalt haar wenkbrauwen op. Ik haal diep adem. ,,Ik eh… ik wil graag ontslag nemen. Dit werk is niets voor mij. En ik wil het beste van mijn vrije halfjaar maken.” Even zit ze me sprakeloos aan te kijken. Langzaam verandert haar gezichtsuitdrukking van verbaasd naar triest. ,,Ach, Pat,” zegt ze. ,,Dacht je dat ik dat niet merkte, dat je het niet leuk vindt? Weet je dat ik zelfs gedacht heb: iemand die met zo’n gezicht in de winkel staat, daar kan ik eigenlijk niet mee aankomen bij de klanten? Ik had alleen het hart niet om je te ontslaan. Ik bleef het maar uitstellen. Bovendien, hoe ga ik het redden in mijn eentje? Het wordt hier elke dag drukker.” ,,Ik blijf tot je iemand anders gevonden hebt,” beloof ik snel, en onbeschrijflijk opgelucht opeens. ,,Je hebt vast snel iemand anders. Er zijn zoveel meisjes die in een kledingwinkel willen werken.” Ze knikt. ,,Dat denk ik ook. We moeten het briefje maar meteen ophangen.” Ze loopt naar de kassa en haalt het “verkoopster gezocht”-papier uit de la. Ik kijk hoe ze het op het raam plakt. ,,Het spijt me,” zeg ik onhandig. Ze draait zich om en glimlacht naar me. ,,Dat weet ik. Maar het geeft niet. Zo gaan die dingen.” Dan klingelt de bel van de winkel en komen er drie babbelende vrouwen binnen. Ik neem me voor om me, voor zo lang ik hier nog werk, onberispelijk te gedragen.
80. Kilian
Ik kijk naar de twintig geconcentreerde hoofdjes. De brugklassers ploeteren op hun repetitie. Ik zou eerlijk gezegd willen dat ze dat niet deden; nu heb ik veel te veel tijd om na te denken. Reina heeft me de stuipen op het lijf gejaagd in de pauze, en het liefst zou ik het hele voorval vergeten. Maar dat lukt me natuurlijk niet. Ik hoor voortdurend een vervelend stemmetje in mijn hoofd. Het zegt dingen als: ,,Zie je wel! Dit krijg je ervan!” ,,Je hebt geluk gehad dat er een brugger binnenkwam, het had ook de directrice kunnen zijn!” ,,Misschien geloofde het meisje wel helemaal niet dat Reina een stagiaire was!” Inmiddels moet ik al een half uur naar dit stemmetje luisteren, en ik heb zin om met mijn hoofd op de tafel te bonken, om het eruit te krijgen. Maar ik heb het vermoeden dat de klas me een beetje eng zal vinden als ik dat doe.
Ik ga nog eens verzitten en zucht zo onopvallend mogelijk. Ik ga Reina verbieden me ooit nog eens op te zoeken in de pauze. Binnen school mogen we vanaf nu geen enkele vorm van contact meer hebben. Ik weet hoe vervelend ze dat vindt, maar er zit niks anders op. Dit wil ik nooit meer meemaken. Ik wil niet werkloos worden op mijn vierentwintigste. Ik heb een fatsoenlijke baan, en dat is iets waar veel mensen van mijn leeftijd alleen nog maar van kunnen dromen. Het zou wel ontzettend stom zijn als ik dat voor mezelf ging verpesten.
Ik denk aan die roekeloze avond, bijna drie maanden geleden inmiddels. Halfdronken en wanhopig liep ik over straat en ik besloot dat ik Reina liever had dan mijn baan. Maar nu besef ik hoe ongelooflijk naïef ik was. Het gaat hier niet om mijn baan, het gaat hier om mijn hele carrière. Om de rest van mijn leven. Dat is niet iets wat ik even op het spel ga zetten voor een meisje, ook al is het een bijzonder meisje. Misschien moeten we onze relatie even op een lag pitje zetten tot na Reina’s eindexamen. Dan heeft ze ook meer tijd om te leren. En daarna is onze relatie gewoon legaal. Wat een fijn gevoel dat zijn. Geen geheimen meer, geen leugens meer. Op deze manier is er gewoon niet veel aan. We kunnen het mooie misschien beter bewaren voor wanneer het echt de kans krijgt om mooi te zijn.
Er begint langzaam maar zeker geroezemoes te ontstaan in de klas; een paar kinderen zijn klaar met hun repetitie. Ik zie het meisje dat Reina en mij bijna betrapte giechelen met het vriendinnetje naast haar. Ze krabbelt iets op een briefje en schuift dat naar een ander meisje toe. Ook zij begint meteen onbedaarlijk te giechelen. ,,Echt?” hoor ik haar fluisteren. Ik heb het gevoel dat mijn stoel door de grond heen zakt en ik op hetzelfde moment een hartaanval en een hersenbloeding tegelijk krijg. Reina heeft niet overtuigend genoeg toneel gespeeld. Dit meisje had alles in de gaten. Bruggers zijn tenslotte wel jong, maar niet gek.
Even blijf ik verlamd zitten, dan sta ik op. Op benen die niet van mij lijken te zijn loop ik naar het drietal toe. Ik streek mijn hand uit. ,,Geef hier,” grom ik. Angstig kijken ze me aan. ,,Nee, meneer, echt, er staat niks bijzonders op!” zegt de kleine verraadster smekend. ,,Alstublieft, meneer, er staat echt niks…” ,,Geef hier,” herhaal ik. ,,Anders geef ik je een één voor je toets.” Ze wordt vuurrood en haalt met trillende hand het briefje tevoorschijn. Ik vouw het open, terwijl ik probeer te verbergen dat mijn handen nog erger trillen dan die van haar. Even kan ik mijn ogen niet geloven. Er staat: Meneer de Booij is lekker! Vind je niet??? Ben een btje verliefd op m!
Ik kan wel juichen van opluchting. Glimlachend kijk ik het angstige meisje aan. ,,Nou, bedankt voor het compliment,” zeg ik. ,,Als je maar niet denkt dat ik je nu een hoger cijfer ga geven!” Opgelucht lachen zij en haar vriendinnetjes mee.
81. Sebastiaan
De hoofdverpleegster rijdt me in mijn rolstoel de kamer van de traumapsycholoog binnen. Ze hebben die knakker wel de mooiste kamer van het ziekenhuis gegeven, zie ik meteen. Het is een ruim vertrek op een hoek, met twee grote ramen, waardoor grauw licht naar binnen valt. Het ene raam kijkt uit op de tuin, waar met dit weer voor de verandering geen patiënten rondstrompelen. Door het andere raam zie ik de ingang van het ziekenhuis. Een meisje wordt door een bezorgde moeder naar binnen geloodsd. Ze leunt zwaar op haar, kan nauwelijks normaal lopen. Heel even vergeet ik mezelf en voel ik medelijden. Wat zou dat meisje hebben? Maar dan laat de hoofdverpleegster mijn rolstoel los, een beetje ruw, waardoor ik een stukje naar voren schiet. Ik voel een snijdende pijn in mijn linkerbeen, die me eraan herinnert hoe ik er zelf aan toe ben. Ik kan helemáál niet meer lopen. Het meisje buiten zou eerder medelijden met mij hebben.
,,Sebastiaan,” zegt de traumapsycholoog, duidelijk voorzichtig. Blijkbaar is hem verteld dat er een reële kans bestaat dat ik hem zal uitkafferen. ,,Ja,” zeg ik nors. ,,Dat ben ik.” Hij glimlacht overdreven vriendelijk. ,,Dat weet ik. Ik ben Bram van Breukelen, en zoals je weet, ik ben traumapshycholoog. Ik ga jou helpen om te verwerken wat je hebt meegemaakt, want dat is niet niks. Maar vertel eerst eens iets over mezelf.” Ik zucht. Daar gaan we. ,,Nou, u ziet het. Ik ben 19 jaar en een oude vent, dankzij een brand in mijn huis. Ik voel me een oude vent en ik word ook behandeld als een oude vent. Dus bel het bejaardentehuis maar vast op.” Hij gaat er niet op in, maar schudt zijn hoofd. ,,Dat bedoel ik niet. Vertel eens iets over jezélf. Ik wil weten wie de echte Sebastiaan is, niet wie Sebastiaan-het-slachtoffer is. Wat studeer je, bijvoorbeeld?” ,,Ik studeer bedrijfseconomie in Tilburg,” antwoord ik. Bram-de-zieleknijper leunt geïnteresseerd naar voren. ,,Wat wil je daarmee worden?” Ik haal mijn schouders op. ,,Ik weet het nog niet precies. Maar je kunt er heel veel mee. Je kunt er accountant mee worden, beleggingsadviseur, of marktonderzoeker… maar ik denk dat ik het liefst ergens algemeen directeur zou worden. Ik hou van leidinggeven.” De zieleknijper glimlacht. ,,Dat zag ik meteen toen je binnenkwam.” Ongelovig staar ik hem aan. ,,Ik word naar binnen gereden in een rolstoel en u ziet dat ik van leidinggeven hou?!” Kalmpjes knikt hij. ,,Dat je in een rolstoel zit betekent niet dat ik niet zie hóe je in die rolstoel zit, en hoe je de wereld in kijkt. Je voelt je misschien compleet anders, Sebastiaan, maar je bént niet anders. Je bent nog precies dezelfde, misschien sadder but wiser, maar je bent niet fundamenteel veranderd, al lijkt dat misschien wel zo.” Ik kan niet ontkennen dat ik me hierdoor een beetje beter ga voelen, maar ik geloof hem toch niet helemaal. ,,U kende me niet voor mijn ongeluk. Hoe weet u dat ik niet veranderd ben?” ,,Ik ken jou niet, maar ik ken mensen die getraumatiseerd zijn,” antwoordt hij rustig. Het is duidelijk dat hij dit gesprek al heel vaak gevoerd heeft, maar hij lijkt niet geïrriteerd. ,,Iedereen reageert anders op zo’n trauma, maar een paar dingen zijn bij de meeste mensen hetzelfde. Eén van die dingen is dat patiënten het gevoel hebben dat ze oud geworden zijn, uitgerangeerd, en dat ze zich niet kunnen voorstellen dat het ooit nog goed zal komen. Maar geloof me, Sebastiaan, het kómt goed. Ook met jou. Maar goed, vertel nog eens iets over jezelf. Wat doe je in je vrije tijd?” Ik ga wat rechter op zitten. ,,Ik heb me de afgelopen maanden vooral met mijn vriendin bezig gehouden, eigenlijk. Haar moeder is in december overleden, en daar heeft ze het erg moeilijk mee.”
,,Dat zal ook niet makkelijk voor je zijn.”
,,Dat is het zeker niet, nee. Ze woont praktisch bij me. Ik word er een beetje gek van, eerlijk gezegd, het is ontzettend benauwd, met z’n tweetjes op twaalf vierkante meter. Maar ik kan haar moeilijk wegsturen.”
,,Dat begrijp ik. Maar wat doe je graag? Wat deed je vaak voor je je vriendin in haar rouwverwerking moest ondersteunen?”
,,Ik ging veel uit. Echt heel veel, zelfs. Bijna elke avond. En als ik niet uitging, was er wel een feestje ergens. Zo heb ik Karin ook ontmoet. Als een scharrel.”
,,Dat moet dan wel een grote overgang voor je geweest zijn.”
,,Pff, inderdaad. De eerste keer dat ik daarna naar een feestje ging, ging het ook gelijk mis.”
,,Mis, in welke zin?”
,,Ik werd ontzettend dronken, en ben met een of andere griet in bed beland. De volgende dag brak die brand uit. Alsof ik gestraft werd.”
Bram knikt langzaam. ,,Ik begrijp het. Maar probeer het niet te zien als straf, Sebastiaan. Zie het als een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Want dat was het. Niets meer en niets minder. Als van iedereen die een keer vreemdging het huis in de fik zou vliegen, zou de woningnood een stuk groter zijn, geloof me.” Ik moet lachen. Voor het eerst in twee weken moet ik weer lachen. Ik voel me ook beter dan ik me in de afgelopen twee weken gevoeld heb. Ik heb nauwelijks iets over de brand zelf verteld, maar ik voel me weer een beetje mezelf. Misschien heeft deze gast wel gewoon gelijk, en komt het weer goed met me.
Bram van Breukelen leunt achterover. ,,Goed, volgens mij is dit wel even genoeg voor vandaag. Heb je het gevoel dat deze sessie een beetje geholpen heeft?” Ik knik en merk dat ik zelfs een beetje glimlach. ,,Het heeft zeker geholpen.” ,,Maar denk niet dat je er nu bent,” waarschuwt hij. ,,Je zult nog regelmatig overvallen worden door neerslachtige buien. Ik wil je ook nog een paar keer terugzien, als je dat goed vindt.” Ik knik weer. ,,Ik vind het best.”
Hij slaat een dikke agenda open. ,,Eens even kijken… overmorgen, voordat je naar huis gaat, zou dat kunnen?” ,,Graag zelfs,” zeg ik. ,,Ik denk dat ik aardig wat innerlijke kracht nodig zal hebben om het thuis te overleven, met mijn moeder om me heen.” Bram grinnikt. ,,Goed dan, ik schrijf het op. Ik verwacht je om half elf. En ik geef je een opdracht mee. Zie het als huiswerk.”
,,Hoera,” brom ik, maar stiekem ben ik blij dat ik iets te doen heb behalve tv kijken en piekeren. ,,Schrijf het op,” zegt Bram. ,,Ik wil dat je precies opschrijft hoe jij de brand beleefd hebt, en hoe je je voelde, ook toen je hier lag.” Ik zwaai geërgerd met mijn in gips gehulde hand. ,,Ziet het eruit alsof ik hiermee kan schrijven?” Verwonderd kijkt hij me aan. ,,Je kunt toch wel typen met je andere hand? Daar hebben we nou een computerkamer voor.” Ik schiet naar voren. ,,Een WAT?! U gaat me toch niet vertellen dat hier al die tijd een ruimte is geweest waar ik had kunnen computeren?” Hij zucht. ,,Ik zie het alweer, miscommunicatie. Het is één van onze nieuwe faciliteiten, maar blijkbaar is nog niet al het personeel er vertrouwd mee. Het spijt me. Maar vanaf nu weet je het, en als je er gebruik van wilt maken, vraag dan gewoon of iemand je erheen wil rijden.” ,,Nou, bij deze,” zeg ik, want ik moet er niet aan denken om weer terug te moeten naar mijn eenzame kamer. ,,Breng mij maar naar de computers toe. Maar als ik weer genezen ben zal ik hier een klacht over indienen!” Bram van Breukelen lacht alleen maar. ,,Ik merk het al, de therapie slaat aan. Ik zal de zuster bellen.”
82. Reina
Tegen de tijd dat de aardrijkskundeles voorbij is, ben ik er zeker van dat Kilian het zal uitmaken. Dit zal hij me nooit vergeven. Hij heeft ooit gezegd dat hij zijn baan voor mij op het spel zou zetten als dat nodig zou zijn, maar dat was helemaal in het begin. In de eerste verliefde weken ben je nou eenmaal altijd een beetje psychotisch bezig. Bovendien denk ik niet dat hij bedoelde dat hij het relaxed zou vinden als IK zijn baan op het spel zou zetten. En zeker niet als dat helemaal nergens voor nodig was. Oh God, dit vergeeft hij me nooit. Dit moet het einde zijn. Dat kan niet anders.
Blijkbaar kijk ik behoorlijk depri als ik het lokaal uit loop, want May weekt zich los van Twenne en komt naast me lopen. ,,Alles goed?” vraagt ze zachtjes. Ik schud mijn hoofd. ,,Ik heb iets heel stoms gedaan. Maar ik kan het hier niet vertellen.” Met May kan ik erover praten, dat weet ik zeker. Zij is de enige die van mijn relatie met Kilian weet. Moira weet het ook een beetje, omdat ik het moeilijk voor haar kon verzwijgen, maar ze weet lang niet alle details. May weet die wel. Zij is de enige die me kan helpen. ,,Ik heb een plan,” zegt ze. ,,Als we die laatste twee uur nou eens skippen en gezellig de trein pakken naar Utrecht? Daar zijn geen spionnen.” Ze buigt zich naar me toe en fluistert in mijn oor: ,,Ben ik ook meteen van Twenne af. Ik word gék van die gast.” Ondanks mijn ellendige toestand giechel ik. Ik betrap mezelf erop dat ik een beetje opgelucht ben. May wilde mij niet buitensluiten. Het was allemaal Twennes schuld. Ik haak mijn arm door die van May. ,,Kom, we gaan absentiebriefjes halen.”
Omdat we allebei meerderjarig zijn, mogen we onze eigen absentiebriefjes tekenen. Ik schrijf als reden “tandarts” op, May “regressietherapie”. Ze maakt er een sport van om de meest vergezochte dingen op haar briefje te schrijven. Als persoonlijke eindexamenstunt wil ze een absentiebriefje met “gyneacoloog” erop inleveren, gewoon om te kijken wat voor reactie daarop komt. Ik verheug me er nu al op.
Een half uur later zitten we in de trein richting Utrecht. ,,Nou, vertel,” zegt May. ,,Wat heb je voor stoms gedaan?” Ik zucht; door onze vrolijkheid was ik het eigenlijk een beetje vergeten. Maar ik vertel het hele verhaal; hoe ik Kilian uitdaagde, hoe geërgerd hij reageerde, hoe er een brugklasser binnenkwam toen ik nét zei “we bellen wel, ja?”, en hoe ik me toen razendsnel voordeed als een stagiaire. May klapt uitbundig in haar handen. ,,Geweldig! Hoe verzin je zoiets?” Ik giechel. ,,Ik weet het ook niet. Het sprong gewoon opeens in mijn hoofd.” ,,Maar waar heb je dan spijt van?” vraagt ze. ,,Je hebt het toch mooi opgelost?” Ik knik. ,,Ja, dat wel. Ik was eerst ook supertrots op mezelf,” beken ik. ,,Maar toen bedacht ik hoe verdomd veel geluk ik heb gehad. Er had ook een zesdeklasser binnen kunnen komen, of erger nog, een leraar. Het had zó verkeerd af kunnen lopen. En ik weet zeker dat Kilian me dit ontzettend kwalijk gaat nemen.” May zucht. ,,Als je het zo bekijkt, zou dat best wel eens kunnen. Maar één keertje moet je toch wel buiten je boekje kunnen gaan?”
,,Niet als zijn baan op het spel staat, waarschijnlijk.”
,,Nee… dat is ook weer waar. Hé, maar we gaan naar de stad, waarom koop je niet iets leuks voor hem, om het weer goed te maken? Gewoon een beetje slijmen. Doet wonderen.”
Ik kijk haar weifelend aan. ,,Denk je?” Lackoniek haalt ze haar schouders op. ,,Je kunt het altijd proberen. Dan hou je er in elk geval nog een leuke middag shoppen aan over.” Kijk, daarom hou ik nou zo van May. Ze is altijd, maar dan ook áltijd positief. Ik laat me achterover zakken op het bankje. ,,Dat is waar. We maken er een relaxte middag van.” Ze steekt haar duim op. ,,Dat gaan we doen.”
Ik kijk naar buiten en zie dat we Utrecht binnenrijden. Een stem door de luidspreker kraakt dat het volgende station Utrecht Centraal is. We rijden langs een gebouw waarop in felverlichte neonletters “your dreams merge here” staat. Plotseling heb ik ontzettend veel zin om hier volgend jaar te gaan studeren. Maar eerst maar eens goed shoppen. Héél goed shoppen. Dat heb ik wel verdiend.
83. Pat
Ik kijk naar de vrolijk gestreepte gordijnen van de pashokjes en kan het nog steeds niet helemaal geloven. Ik ga hier weg. Ik ga iets anders doen. Ik hoef hier niet tot augustus te blijven. De vraag is alleen waar ik dan wél tot augustus ga blijven. Ik moet tenslotte wel geld verdienen, en niet zo’n beetje ook, om in mijn kamer te kunnen blijven wonen en te kunnen eten. Het kopen van nieuwe kleren of andere luxeartikelen heb ik mezelf al zo’n beetje afgeleerd. Maar misschien, als ik werk zou kunnen vinden dat beter betaalt dan dit… misschien zou ik dan weer eens een nieuw topje kunnen kopen. Dat zou leuk zijn voor het uitgaan. Alleen ga ik niet meer zo vaak uit. Maar dat is bijzaak. Misschien komt dat vanzelf wel weer als ik eenmaal een nieuw, sexy topje heb.
,,Ik twijfel nog een beetje,” haalt een klant me uit mijn overpeinzingen. Ze komt het pashokje uit in een draak van een rode jurk. Dat wil zeggen, het is een leuke jurk, maar bij háár staat hij vreselijk. ,,Hij valt inderdaad niet echt mooi,” geef ik toe. ,,Misschien is een ander model geschikter voor uw figuur.” De klant zucht. ,,Nou, ik geef het op voor vandaag. Dit is al de zoveelste jurk die ik vandaag gepast heb. Ik ben het zat.” Ergens is het misschien helemaal zo erg nog niet om geen nieuwe kleren te kunnen kopen. Niet dat wanhopige gezoek naar iets dat je móet hebben. Het is wel rustgevend, de wetenschap dat je het simpelweg niet kúnt hebben, omdat dat zou betekenen dat je de rest van de maand brood met pindakaas als avondeten hebt.
Als de klant haar eigen kleding weer heeft aangetrokken en morrend verdwenen is, kijk ik op mijn horloge. Nog twee uurtjes. Dan ga ik lekker naar huis. Wat zal ik eens eten vanavond? Ik denk dat ik mezelf verwen om te vieren dat ik vandaag ontslag genomen heb ; ik haal een dure, maar makkelijke magnetronmaaltijd. Die kan ik dan lekker voor de tv opeten. En na het eten duik ik achter de computer en ga ik op internet zoeken naar baantjes. Ik heb vast snel wat gevonden. Misschien kan ik iets zoeken waarbij ik meer contact heb met mijn collega’s. Dat zou gezellig zijn.
Plotseling stokken mijn gedachten. Ik spits mijn oren. In de winkel hoor ik een stem die me heel bekend voorkomt. ,,Oh, dit is écht een leuke rok! Moet je kijken, May!” Ik kijk om het hoekje en mijn hart begint te bonzen. In de winkel staat Reina, met in haar handen de lichtgroene rok waarvan ik al dacht dat ze die mooi zou vinden.
Als aan de grond genageld sta ik naar haar te staren. Het dringt nu pas goed tot me door hoe ik haar gemist heb. Hoe eenzaam ik geweest ben, hier in deze winkel, dag in dag uit. Het halen van een hotdog is mijn uitje van de dag. Ze zou me niet meer terugkennen. Ze ziet me nu ook niet. Ze heeft alleen oog voor de rok. ,,Vooral dat lintje hier vind ik leuk! Ja, ik ga ‘m zo wel even passen.” Haar vriendin (mijn vervangster?) lacht. ,,Alsof je vandaag nog niet genoeg gekocht hebt! Wat kun jíj met geld smijten, Reina! Misschien moet ik volgend jaar maar al mijn broddelwerk aan jou doneren, anders ben je binnen de korste keren straatarm.” Reina antwoordt niet. Haar oog valt op het rode jurkje dat de chagrijnige klant van daarnet behoorlijk slordig in het rek heeft teruggekwakt. ,,Deze is óók leuk!” roept ze enthousiast. ,,Wat een vet winkeltje is dit!” Ze begint tussen de jurkjes te zoeken. ,,Verdomme, mijn maat zit er niet meer tussen.” ,,Misschien hebben ze die achter nog wel liggen,” zegt haar vriendin. Ze wijst naar mij. ,,Anders vraag je het even aan dat meisje daar.”
Nu kijkt Reina eindelijk mijn kant op. Een paar seconden staan we elkaar zwijgend en geschrokken aan te staren. Plotseling voel ik hoe hoe absurd deze hele situatie is. Daar staat mijn beste vriendin, mijn oudste vriendin. Degene die ik alles vertelde, waar ik mijn geheimen mee deelden, bij wie ik huilde, en die ik troostte als zij huilde. En ik heb haar al drie maanden niet gesproken vanwege een jongen. Vanwege Sebastiaan, die klootzak die al zoveel voor me verpest heeft. Waarom heb ik hem ook mijn vriendschap met Reina laten verruïneren? Waarom ben ik eigenlijk zo koppig geweest? Waar ging het nou helemaal om?
Ik ben de eerste die de stilte verbreekt. ,,Hoi,” piep ik. ,,Hoi,” zegt Reina. ,,Hoe is het?” vraag ik onhandig. ,,Goed, hoor,” antwoordt ze. Ze zwaait even met de plastic tassen in haar hand, alsof ze daarmee wil bewijzen dat het inderdaad goed gaat. ,,En met jou?” vraagt ze plichtsgetrouw. Ik haal mijn schouders op. ,,Ook wel redelijk. Beetje saai allemaal.” Ze knikt. ,,Ik ken het.” Opeens mengt haar vriendin zich in het gesprek. ,,Jij bent zeker Pat, hè?” vraagt ze op een beschuldigend toontje. Ik voel me meteen in het nauw gedreven. Ik knik zo trots mogelijk. ,,Dat ben ik, ja.” ,,Reina heeft die jongen nooit van je willen afpakken,” zegt ze. ,,Ze heeft nu al drie maanden een vriend en ze zijn super gelukkig. Dus die hele ruzie van jullie is nergens voor nodig.” ,,May!” zegt Reina geschrokken. May grinnikt en haalt haar schouders op. ,,Ik denk, ik zeg het maar even, anders was er nooit iets van gekomen.” Ik kan niet beslissen of ik haar nou wel aardig vind of juist niet. Ik knik maar wat. Ik wil dat ze weggaan. Ik heb het gevoel dat het twee tegen één is. Ze vallen me aan op mijn terrein. Bovendien is het ontzettend onprofessioneel om dit soort dingen op mijn werk uit te vechten. Ik had me nog zo voorgenomen om me te gedragen, voor de tijd dat ik hier nog werk. Maar ik wil deze kans om het weer bij te leggen met Reina ook niet voorbij laten gaan. ,,Luister,” zeg ik snel. ,,Ik kan hier niet praten, ik moet werken. Maar dit weekend ben ik in Kamerik. Dan kan ik naar je toe komen om het uit te praten… als je dat goed vindt?” Reina knikt. ,,Kom zondagmiddag dan maar,” zegt ze. ,,Dan ben ik wel thuis.” ,,Oké,” zeg ik. Er valt weer een gespannen stilte. Ik wijs naar het rode jurkje. ,,Die heb ik achter niet meer liggen. Maat 36 is altijd snel uitverkocht.” Het is een stil teken. Ik weet haar kledingmaat nog. Volgens mij heeft ze het begrepen, want ze glimlacht heel even. Dan gaat ze een pashokje in om de rok te passen. May lacht nog even voorzichtig naar me en gaat omslachtig tussen de shirtjes staan snuffelen. We weten allebei dat ze niets gaat kopen.
Tien minuten later stopt Mona Reina’s nieuwe rok in een plastic tasje. Met May in haar kielzog loopt Reina naar de deur. ,,Doei,” zegt ze voorzichtig tegen mij. ,,Doei,” zeg ik. ,,Tot zondag.” Dan valt de deur achter haar dicht. Ik slaak een trillerige zucht. Ik hoop opeens met heel mijn hart dat het goedkomt tussen ons.
84. Sebastiaan
Ik staar naar het lege blaadje op mijn scherm. Hier moet ik gaan opschrijven hoe ik de brand, die mijn huis verwoestte, precies beleefde. Ik moet het opnieuw beleven. Ik zie er ontzettend tegenop, maar ik heb het al de hele middag zitten uitstellen. Vanaf het moment dat ik van de traumapsycholoog naar de computerkamer gereden werd, heb ik zitten internetten. Het ging langzaam en onhandig, want ik ben niet gewend om met mijn linkerhand te moeten muizen, maar ik vond het heerlijk. Ik had een klein beetje het gevoel dat ik weer normaal was, weer mezelf. Ik heb uitgebreid mijn mail gecheckt (daar was ik wel even mee bezig). Ik heb een maitje naar mijn hele adresboek gestuurd waarin ik heb verteld wat ik precies allemaal gebroken heb, hoe het nu met me gaat en wat mijn verwachtingen zijn. Ik heb al twee leuke reacties terug gehad. Daar was ik blij mee. Toen ik klaar was met mijn mail, heb ik al mijn favoriete sites bezocht. Op een gegeven moment kwam ik op het idee om met e-messenger op MSN te gaan, wat ik op school weleens deed. Ik heb lekker zitten chatten met een vroegere scharrel. Eerst vond ik haar niet zo boeiend, maar nu vond ik het al fijn om met iemand te praten die me niet als een gehandicapte behandelde. Ondertussen zat ik het forum van mijn studievereniging onveilig te maken. Kortom; ik heb een leuke middag gehad. Maar een stemmetje in mijn hoofd zei dat ik aan mijn huiswerk moest beginnen, en dat stemmetje werd steeds harder. Ik kan het morgen ook nog wel doen, zei ik terug. Maar om de één of andere reden wilde het stemmetje dat ik het nu deed. Stiekem wil ik dat zelf ook wel. Dan ben ik er maar vanaf.
Ik staar naar de traag knipperende cursor terwijl ik een pakkend begin probeer te bedenken. Maar de mooie woorden tuimelen door mijn hoofd en willen geen geheel vormen. Ik moet maar gewoon beginnen, ergens in mijn herinnering, maakt niet uit waar. Dan maar een wat minder mooie start van mijn verhaal. Bram van Breukelen zal toch wel niet zoveel geven om retorica. Ik haal diep adem, doe even mijn ogen dicht, leg mijn hand op het toetsenbord en begin.
Het was een doodgewone middag. Met een enorme kater zat ik achter de computer. Ik had net geprobeerd voor de zoveelste keer mijn vriendin te bellen, die niet opnam. Nu ging ik maar eens op MSN kijken of ze daar was. Ik herinner me dat ik naar de twee ronddraaiende groene poppetjes zat te kijken toen ik opeens een harde gil hoorde van de verdieping onder mij. Eerst dacht ik dat mijn huisgenootje gewoon weer eens hysterisch liep te doen. Ik deed ook niet al teveel moeite om te verstaan wat ze precies riep. Maar precies op het moment dat de computer “plong” zei en ik was ingelogd op msn, realiseerde ik me dat ze riep: ,,Brand! Brand! Help! Brand!” Op hetzelfde moment rook ik opeens een duidelijke brandlucht.Ik had al zoiets geroken, maar ik dacht dat het gewoon schroeilucht was van het koken, dat soort dingen ruik je wel vaker in ons huis. Ik sprong op en rende naar de deur. De rook sloeg me in het gezicht. Ik liep de overloop op, maar ik kon niets zien door de rook. Ik dacht dat ik erin zou stikken. Ik hoorde iemand gillen in de badkamer. Ik wilde naar beneden lopen, iets doen, haar redden. Ze zat opgesloten, ze zou levend verbranden. Ik probeerde bij de trap te komen, maar ik wist niet waar die was en ik kon bijna niet meer ademen. Beneden me zag ik alleen maar vlammen.Toen zag ik opeens mijn huisgenoot Niels, die zich door het vuur worstelde. Hij keek omhoog en zag mij. Ook hij kon bijna niet praten door de rook in zijn keel, maar ik hoorde hem duidelijk zeggen: ,,Sebastiaan, ga terug en spring uit je raam! Je kunt niet naar beneden!” Ik had blijkbaar maar een klein duwtje nodig, want ik vergat meteen mijn mogelijke heldendaad en rende terug naar mijn kamer, die inmiddels ook vol rook stond. Ik dacht dat ik doodging, maar ik slaagde er toch in het raam open te doen. Ik weet nog precies hoe heerlijk het was om frisse lucht in te ademen. Maar ik zag ook meteen hoe verschrikkelijk hoog het was. Beneden op straat zag ik mijn huisgenootjes staan. ,,Sebastiaan, springen!” riepen ze. Maar ik was absoluut niet van plan om te springen. Ik was niet gek. Ik zou zo lang hier bij het raam blijven staan als ik kon. Ik hoopte maar dat de brandweer snel zou komen, en dat het vuur onder controle zou zijn voor het mijn kamer zou bereiken. Zo heb ik daar een tijdje gestaan, ik weet niet meer hoe lang, ik was al het besef van tijd kwijt. Het ene moment dacht ik dat ik er al een hele tijd stond en dat het wel goed zou komen, maar het volgende moment kon ik weer in paniek raken omdat de rook in mijn kamer steeds dikker werd. Het was ook verontrustend hoe warm de vloer onder mijn voeten werd. Ik was doodsbang. Van alle kanten kwam nu rook, het leek zelfs door de vloer en de muren heen te komen. Toen zag ik de vlammen om mijn deur heen likken. Ik herinner me vaag dat ik schreeuwde, en dat mijn huisgenoten weer riepen dat ik moest springen. Toen zag ik twee mensen het huis uit komen. Ik kon ze niet goed zien van waaruit ik stond, maar ik zag wel dat ze niet leken op de huisgenoten die ik kende. Ik kon maar een fractie van een seconde naar ze kijken, gelukkig te kort om ze goed in me op te nemen (voor zover je in zo’n situatie van “gelukkig” kunt spreken) want op hetzelfde moment bezweek mijn deur en kwam het vuur met een razende snelheid mijn kamer binnen. Dat was het moment waarop ik niet meer nadacht. Trillend over mijn hele lichaam klom ik in de vensterbank. Ik deed mijn ogen dicht en sprong. Het enige wat ik me nog herinner, is die afschuwelijke seconde dat je in de lucht blijft hangen, voor de val inzet. Vaag herinner ik me ook nog de verschrikkelijke klap waarmee ik op de grond neerkwam. Ik geloof zelfs dat ik dacht: ik hoor mijn eigen botten breken. Toen werd alles zwart.
Ik leun naar achteren in mijn rolstoel en haal heel, heel diep adem. Dit is wel weer even genoeg voor vandaag. Ik ben opeens uitgeput. Ik weet niet hoe ik me nou eigenlijk voel. Ik weet niet of ik opgelucht ben of juist getraumatiseerder dan toen ik begon. Ik geloof dat ik even helemaal leeg ben. Ik druk op “printen” en rol naar de printer in de hoek, waar ik mijn blaadje uitvis. Dan sluit ik mijn computer af en druk op het belletje. Opeens wil ik niets liever dan door de zuster worden opgehaald en in mijn bed gehesen worden. Ik wil kijken naar meeuwen buiten en stomme comedyseries op tv, en even helemaal nergens aan denken. Zeker niet aan wat ik net heb opgeschreven.
85. Kilian
Ik gooi de deur van mijn kamer achter me dicht en laat me op de bank vallen, mijn jas nog aan. Ik ben doodmoe. Aan het eind van mijn latijn. Bekaf. Vanmorgen stapte ik kwiek en goedgehumeurd de deur uit, en ik ben teruggekomen als een wrak. Wat wil je ook met zo’n dag. Bijna mijn grote geheim ontdekt. Bijna betrapt. Bijna mijn baan kwijt. Gelukkig net niet, maar de schrik zit er goed in. Ik heb mijn besluit genomen. Ik ga Reina zometeen bellen, vragen of we elkaar ergens kunnen ontmoeten vanavond, en haar vertellen dat ik een pauze in wil lassen. Een paar maanden maar. Tot zij haar diploma gehaald heeft en officieel geen leerling meer van mij is. Dat is gewoon het beste. Het is zelfs een win-win-situatie: ik loop geen gevaar meer om mijn baan kwijt te raken, en zij kan zich beter concentreren op haar schoolwerk. En dat zal ook wel nodig zijn, want als ze het dit jaar niet haalt, moet ze van school. Dat zou ze afschuwelijk vinden. Nee, het is beter zo. Absoluut. Ik leun mijn hoofd achterover en doe even mijn ogen dicht. Eindelijk lijkt mijn lichaam zich een beetje te ontspannen. Ik weet dat ik nog een moeilijk gesprek met Reina voor de boeg heb, maar dat lijkt peanuts vergeleken bij wat ik vandaag allemaal al doorstaan heb.
Plotseling merk ik dat ik mijn jas nog aan heb, en dat ik nodig naar de wc moet. Ik gooi mijn jas over een stoel en loop de wc annex doucheruimte binnen. Als ik iets later mijn handen sta te wassen, zie ik het opeens. Op het doucheplankje ligt een haarspeldje. Een haarspeldje van Reina. Ik deel deze badkamer maar met één huisgenoot, en hij is homo en single. Het speldje moet dus wel van Reina zijn. Het is roze met blauwe bloemetjes. Plotseling herinner ik me dat ze het in haar haren had, zaterdag. Aan de zijkant. Zo’n klein detail dat je op het eerste gezicht niet opvalt, maar dat je wel registreert. Een beetje teder pak ik het speldje op en stop het in mijn zak. Dat moet ik haar maar geven als ik haar vanavond zie. Ik ga haar zometeen bellen. Maar eerst eten. Ik barst van de honger.
Een halfuur later haal ik een dampende quice lorraine uit de gasoven. Het water loopt me in de mond. Ik leg de quiche gauw op een bordje en ga aan mijn krakkemikkige tafeltje zitten. Net als ik de eerste hap naar binnen geschoven heb, valt me iets op. Op het hoekje van de tafel, half verscholen onder een stapel correctiewerk, ligt Reina’s kleine rode snoopy-haarborsteltje. Het borsteltje waar ze altijd haar haren mee doet als ze bij me logeert. Ik haal het onder de stapel papieren vandaan en betrap mezelf erop dat ik het niet kan laten er even aan de ruiken. Heel vaag onderscheid ik de geur van shampoo. Er zitten een paar lange blonde haren in het borsteltje. Ik haal het speldje uit mijn zak en leg het samen met het borsteltje op een opvallende hoek van de tafel. Ik moet niet vergeten ze allebei mee te nemen vanavond.
Ik doe de afwas en dan kan ik er echt niet meer onderuit: ik moet haar nu echt gaan bellen. Ik pak mijn telefoon, scroll in mijn adresboek naar de R… en dan gaat de bel. Dat zul je altijd zien, net als je een belangrijk telefoontje te voeren hebt. Ik grom, leg mijn mobiel op tafel en stommel de trap af, naar de voordeur. Chagrijnig doe ik die op een klein kiertje open.
En daar staat Reina.

0 Comments:
Post a Comment
<< Home