Maart: hoofdstuk 86 - 95
Mijn hart bonst in mijn keel als ik achter Kilian aan naar boven loop. De sfeer is anders, ik voel het. Normaal babbelen we altijd, nu zwijgen we. Oh God. Hij zal het toch niet gaan uitmaken? Nee. Dat moet ik voorkomen. Ik moet hem niet aan het woord laten, ik moet meteen zelf beginnen met praten, met uitleggen, met verzoenen. Ik voel het speciale cadeautje branden in mijn tas. Dat moet ik hem geven, voor hij de kans krijgt om dingen te zeggen die hij niet meer ongedaan kan maken. Want als hij zegt dat het uit is, is het uit. Dat heb ik met mezelf afgesproken. Ik ga niet smeken om een tweede kans, zoals ik dat al eens eerder gedaan heb bij een jongen. Als hij niet meer verder wil, zal ik me gracieus terugtrekken. Geen scène gaan schoppen. Niet gaan huilen. Dat doe ik dan wel in de trein.
May heeft me overgehaald om dit te doen, om naar hem toe te gaan. ,,Je bent nou toch in de stad,” zei ze. ,,Waarom zou je jezelf langer martelen? Get it over and done with. Dan heb je dat maar gehad.” Zij denkt blijkbaar ook dat hij het uit gaat maken, dacht ik bij mezelf. Maar toch heb ik haar advies opgevolgd. Omdat ze gelijk heeft. Ik kan het maar beter achter de rug hebben.
,,Kilian,” zeg ik, zodra hij de deur van zijn kamer achter ons dicht gedaan heeft. ,,Het spijt me verschrikkelijk. Echt waar. Ik was gewoon in een gekke bui, ik dacht totaal niet na over wat ik deed. Maar nu realiseer ik me dat ik jouw baan op het spel heb gezet, en dat ik dat nooit, nóóit had mogen doen. En eh… nou ja, om het goed te maken heb ik iets voor je gekocht.” ,,Iets voor me gekocht?” echoot hij alleen. Ik knik, terwijl ik in mijn tas graaf. Waarom staat hij daar zo, waarom zegt hij verder niks? Dit is vreselijk. Dít is pas een marteling. Ik sta op het punt om mijn ziel op tafel te leggen, en hij staat een beetje apatisch toe te kijken. ,,May en ik hebben lang moeten zoeken,” zeg ik geheimzinnig, om de stilte te verbreken. ,,Maar uiteindelijk hebben we er één gevonden.” Ik haal het pakje uit mijn tas. ,,Je moet eerst het kaartje lezen.” Bibberend van de zenuwen kijk ik toe hoe hij voorzichtig het kaartje van het cadeautje lostrekt. ,,Voor Kilian,” leest hij het hardop voor. ,,In de hoop dat dit je herinnert aan die speciale ochtend in het bos, in de hoop dat je het gevoel van toen een beetje kunt terughalen, in de hoop dat je me vergeeft. Reina.” Hij haalt het cadeaupapier langzaam los. De spanning is slopend. Dan heeft hij het eindelijk in zijn handen, het speciaalste, eenvoudigste en mooiste goedmaak-cadeautje dat ik kon bedenken. Een rood-wit geblokt tafelkleedje. Precies zo’n tafelkleedje als op de tafeltjes in het restaurantje in het bos lag.
Tot mijn grote opluchting zie ik een voorzichtig glimlachje op zijn gezicht doorbreken. Eindelijk kijkt hij me recht aan. Hij schudt langzaam zijn hoofd. ,,Je had niets beters kunnen kiezen,” zegt hij. Hij gebaart naar de tafel. Ik zie één van mijn roze haarspeldjes liggen (ik vroeg me al af hoe het kon dat ik er eentje miste) en mijn rode haarborsteltje. ,,Toen ik thuiskwam, baalde ik ontzettend,” gaat hij verder. ,,Toen wilde ik je serieus opbellen en zeggen dat we een pauze moesten nemen. Maar toen vond ik eerst dat speldje, en toen dat borsteltje… en net toen ik je wilde gaan bellen, stond je voor de deur. Met… met dit.” ,,En?” vraag ik gespannen. ,,En…” zegt hij. ,,En nu denk ik dat we het misschien toch nog maar een kans moeten geven. Ik hoop dat je nooit meer zoiets zult doen.” Ik heb het gevoel alsof een loodzware rugzak van mijn schouders wordt afgenomen. Het is gelukt! Hij heeft zich bedacht! Het is niet uit! Ik gooi alle plastic tassen van het winkelen op de grond en vlieg hem om de hals. ,,Nooit meer!” beloof ik hem, en plotseling begin ik te huilen. You don’t know what you’ve got ‘till it’s gone, zeggen ze, en op dit moment voel ik dat heel duidelijk. Vandaag heb ik gevoeld hoe het zou zijn om Kilian niet meer te hebben, om hem kwijt te zijn. En daardoor ben ik ervan overtuigd dat ik dat nooit wil laten gebeuren.
87. Sebastiaan
Het is elf uur ’s ochtends. Zonlicht valt naar binnen door de ramen van de computerkamer, waar ik naar binnen word gereden en achter een computer word geparkeerd. ,,Zo, meneer heeft de computers wel ontdekt, hè?” zegt de zuster met een of ander debielenstemmetje waarvan ik dacht dat ze het alleen voor demente oudjes gebruikten. Ze zet mijn rolstoel op de rem. ,,Ja, aangezien niemand me verteld had dat hier überhaupt computers wáren,” snauw ik. ,,Ik ga hier een klacht over indienen, dat kan ik u verzekeren. Anderhalve week heb ik liggen verpieteren in bed, en niemand die zei dat ik ook hier heen kon.” ,,Kom op, een beetje vrolijker,” zegt de zuster, die nog steeds praat alsof ze het tegen haar achterlijke neefje heeft. ,,De eerste dagen had je hier toch niet heen gemogen. Je kon je niet bewegen, weet je nog?” ,,En of ik dat nog weet,” zeg ik grimmig. ,,Ik ben hier om dat op te schrijven.” ,,Nou, veel plezier dan!” zegt ze, alsof ik haar net verteld heb dat ik hier een computerspelletje ga uitspelen. Ze klost weg op haar ziekenhuismuilen. Zo. Dat is beter.
Mijn humeur is er misschien niet significant op vooruit gegaan, maar ik voel me toch anders dan gisteren om deze tijd. Lichter, op de één of andere manier. Ik zou het niet precies kunnen uitleggen. Maar het is duidelijk dat de therapie van Bram van Breukelen aanslaat. Het moeilijkste heb ik gehad, hou ik mezelf voor, als ik Word open. Nu hoef ik alleen nog maar te vertellen over mijn verblijf hier, in het ziekenhuis. Nou, ik zal eens even wat misstanden aan de kaak stellen. Bram zal niet weten wat hij leest. Misschien haalt hij zelfs de directie er wel bij. Dat zou pas echt mooi zijn.
Oké, concentreren nu. Zometeen is mijn verhaal compleet, af, klaar. Daar moet ik aan denken. Niet rondlummelen, afmaken. Dan heb ik dat tenminste maar gehad.
De wereld werd dus zwart, en het volgende moment was de wereld opeens heel erg wit. En was het twee dagen later. En kon ik me niet bewegen. Ik zag een paar schimmen en hoorde mijn moeder snikken: ,,Hij doet zijn ogen open! Oh mijn God! Hij doet zijn ogen open! Sebastiaan! Sebastiaan! Hoor je mij?” Al was ik dan maar half bij bewustzijn, ik ergerde me meteen aan haar. ,,Ik ben toch geen comapatiënt,” zei ik. Ik had het idee dat ik dat duidelijk zei, maar ik hoorde iemand fluisteren: ,,Ssst, hij probeert wat te zeggen.” ,,Ik zei: ik ben toch geen comapatiënt,” herhaalde ik, luider. ,,Wat zegt ie nou?” snikte mijn moeder. ,,Oh Sebastiaan, ik ben zo blij, ik ben zo blij!” Ik hoorde iemand kuchen, de dokter waarschijnlijk. ,,Ik geloof dat hij het over een coma heeft. Nee, Sebastiaan, je hebt niet in coma gelegen. We hebben je twee dagen onder narcose gehouden.”,,Oh,” zei ik. Toen voelde ik opeens hoe vreselijk moe ik was. Damn, dacht ik, hoe kan ik zo moe zijn terwijl ik net wakker ben? Ik denk dat ik maar weer even ga slapen. En hup, daar ging ik weer.
De keer daarna dat ik wakker werd, deed mijn hele lichaam vreselijk veel pijn. Hoe kon dat? Nu zag ik geen schimmen meer, maar duidelijke mensen. Links zat mijn moeder. Ze sliep, hoofd opzij gezakt, haar mond een beetje open. Aan de rechterkant zat Karin. Die was wel wakker. Zodra ze zag dat ik weer leefde, begon ze net zo te snikken als mijn moeder de eerste keer. ,,Oh, Sebastiaan! Ik ben zo blij dat je er nog bent! Ik had er niet aan moeten denken om jou ook nog te verliezen!” Hoe zij zich voelde interesseerde me op dat moment echt geen reet. ,,Ik heb zo’n pijn,” viel ik haar in de rede. ,,Kun jij even de dokter halen en vragen of ik pijnstillers mag? Dit is echt niet te doen.” ,,Natuurlijk!” zei ze slaafs, en ze stoof weg. Ik probeerde me op mijn zij te draaien, maar het gevoel dat mijn beide benen eraf gerukt werden maakte me wel duidelijk dat dat misschien geen goed idee was. Dus ik bleef liggen, wachtend op Karin en de dokter. Na vijf minuten helse pijn kwam Karin weer binnen rennen. De dokter kuierde op zijn dooie gemakje achter haar aan. ,,Kijk eens aan, hij is weer bij kennis.Sebastiaan, ik ben dokter Krüger.” Automatisch wilde ik hem mijn rechterhand geven. ,,Auw, verdomme!” Ik zag nu pas dat ook mijn complete rechterarm ingepakt zat. Dokter Krüger glimlachte minzaam en stak zijn linkerhand naar me toe. ,,Je hebt een gemene smak gemaakt, jongen,” zei hij. ,,Weet je nog wat er precies gebeurd is?”
Hier moest ik diep over nadenken. Langzaam kwamen de beelden terug, als bij een droom die je je herinnert. ,,Brand,” zei ik. ,,Ik ben uit het raam gesprongen.” De dokter knikte ernstig. ,,En daarbij heb je je beide benen gebroken, en is je rechterarm op drie plaatsen verbrijzeld.” ,,Verbrijzeld?!” schrok ik. ,,Komt dat ooit nog goed?’ Dokter Krüger lachte – hoe kunnen mensen lachen in zulke omstandigheden?! – en vertelde me dat ik binnen een half jaar weer helemaal het heertje zou zijn. ,,Mag ik nu pijnstillers?” vroeg ik ongeduldig. ,,De pijn is niet te harden.” ,,Je krijgt morfine,” antwoordde hij. ,,Maar ik zeg het maar vast: stel je er niet teveel van voor. Morfine verlicht de pijn, maar neemt hem niet weg. Je zult je erop moeten instellen dat je de komende periode veel pijn zult hebben.” ,,Kan me niet schelen,” gromde ik. ,,Geef me de morfine nou maar, man.” ,,Sebastiaan!” zei Karin geschokt. De dokter keek haar vriendelijk aan. ,,Dat is de shock.” Ik had zin om overeind te komen en hem met iedere gipsen poot een ram te verkopen.
Oké, dat is wel weer even genoeg voor nu, besluit ik. Ik denk dat ik maar eens ga kijken of er nog mensen op MSN zijn.
Na een uurtje chatten met een overijverige studiegenoot, die uitgebreid uit de doeken heeft zitten doen hoe ver ik inmiddels wel niet achter loop, besluit ik mijn verhaal maar eens netjes af te maken. Uitstellen heeft geen zin meer. Ik wil het klaar hebben, uitgeprint, af. Ik weet niet of dat zou betekenen dat ik het dan ook achter me zal kunnen laten, maar het is in elk geval een begin. Ik zeg dus tegen mijn studiegenoot dat ik er weer vandoor moet. ,,Oké,” reageert hij. ,,En bel maar wanneer je in staat bent om mijn aantekeningen te komen ophalen.” De lafaard. Hij kan zo met zijn OV naar Kamerik komen. Maar dat is natuurlijk teveel moeite. Ik zeg niks meer terug en meld me af.
Ik open word weer en zucht. Ik hou eigenlijk helemaal niet van schrijven. Wat een stomme opdracht. Ik snap niet hoe mensen een dagboek kunnen bijhouden, als mij dit al niet eens lukt. Maar goed. Dit is het laatste stukje.
Alle dagen lijken op elkaar in het ziekenhuis. Ik wist vaak niet eens welke dag het was. Het maakte ook niet uit. Ze waren toch allemaal hetzelfde. Ik keek tv en kreeg bezoek van Karin en mijn ouders. Karin en mijn moeder leken wel een jankwedstrijd te doen. Ook streden ze om de eer wie de meest nutteloze spullen voor mij kon meebrengen. Mijn moeder kwam aanzetten met twee veel te grote oudemannnepyama’s, een “mannelijke” streekroman over één of andere ranch in Amerika en een cd van een kwijlbandje dat zichzelf Il Divo noemt. Karin bracht een stapel glossy tijdschriften mee ( “jongens vinden het toch leuk om vrouwenbladen te lezen?”), een enorme knuffelbeer (“omdat je nog steeds mijn teddybeertje bent”) en een ingelijste foto van ons tweeën, waarvan het de bedoeling was dat ik die op mijn nachtkastje zette. Zodat ik aan haar kon denken als ze er onverhoopt een keertje niet was. Ze kwam haast ieder bezoekuur, en na het bezoekuur moest ze door de zuster zo ongeveer naar buiten gesleept worden.
En ik lag maar te malen, de hele dag. Ik maakte me de meest afschuwelijke voorstellingen van hoe mijn huisgenootjes er nu uitzagen. Er was me verteld dat ze waren opgenomen in het brandwondencentrum in Beverwijk. ,,Hoe gaat het met ze?” vroeg ik keer op keer. ,,Kunnen ze ooit nog een normaal leven leiden?” Maar tot mijn grote frustratie kreeg ik daar nooit antwoord op. ,,Maak je daar nou maar geen zorgen over,”werd er steevast gezegd. ,,Zorg jij eerst maar eens dat je beter wordt.” Zorg dat je beter wordt. Hoe dan, als ik vragen mag? Want geloof me, als er ook maar íets was wat ik kon doen om mijn herstel sneller te laten gaan, wat dan ook, dan zou ik het doen.
En dus lag ik hier maar, steeds gefrustreerder. En iedereen maar zeggen dat ik zoveel geluk had gehad. Dat was ik niet bepaald met ze eens. Ik kon alleen maar denken aan wat ik allemaal kwijt was, dag in, dag uit. En dan waren ze verbaasd dat ik af en toe een beetje uit mijn slof schoot, bijvoorbeeld als ze me de halve nacht uit mijn slaap hadden gehouden met hun gestamp op de gang en hun gerammel met pillendoosjes. Eén keer zijn ze zelfs vergeten mijn avondeten te brengen. Toen ik erom vroeg, hadden ze al niks meer over. Kreeg ik twee boterhammen. Het is echt bedroevend gesteld met de zorg in dit land. Ik lag daar maar weg te kwijnen in mijn eentje, en ik kwam er gisteren pas achter dat hier gewoon al de hele tijd een computerruimte was, toen ik deze opdracht moest doen. Ik hoop dat iemand hier werk van zal maken!
Ik lees mijn hele verhaal nog eens over. Weet je, ik vind het wel best zo. Ik heb alles opgeschreven wat er te vertellen was. Ik ben niet al te diep op mijn gevoelens in gegaan, maar hé, ik ben een man, ik ben niet goed in zulke dingen. Dat zal Bram van Breukelen zelf ook wel begrijpen. Ik druk op printen. Tevreden kijk ik hoe het laatste deel van mijn verhaal de printer uit komt rollen. Ik haal het eruit en leg het bij de andere twee. Ik heb het tastbaar gemaakt. En daardoor voelt het inderdaad alsof ik het al een beetje afgesloten heb.
88. Pat
Reina’s huis is nog altijd precies hetzelfde. Het groene tuinhekje, de donkerblauwe voordeur, de lichtgele gordijnen voor het raam. Gek is dat, op de één of andere manier had ik me voorgesteld dat er iets veranderd zou zijn. Maar het is net alsof ik hier vorige week nog ben geweest, in plaats van drie maanden geleden. Wat is het eigenlijk stom gegaan, allemaal. Ik had nooit gedacht dat er een jongen tussen ons zou komen. Waarom heb ik het zo ver laten komen? Waarom reageerde ik eigenlijk zo enorm heftig? Terwijl ik het tuinpad op loop, denk ik nog even snel terug aan die rampzalige avond in de Monza. Het leek wel alsof ik een waas voor mijn ogen had, ik was buiten mezelf van woede. Maar waarom eigenlijk?
Ik haal diep adem en druk op de bel. Verdomme, ik ben zenuwachtig. Ik hoop zo dat het goed komt. Maar zal het ooit nog hetzelfde zijn tussen ons?
Reina’s moeder doet de deur open. ,,Hé, Pat!” zegt ze verrast. ,,Dat is lang geleden!” Reina heeft haar duidelijk niets verteld over onze ruzie. Ik glimlach vaag. ,,Ja, inderdaad, een hele tijd.” Ik zou willen dat ze me met rust liet, maar ze blijft staan kijken hoe ik met trillende handen mijn jas ophang. ,,Bevalt het studentenleventje je een beetje?” vraagt ze. Ik haal mijn schouders op. ,,Ja hoor. Nou ja, ik ben gestopt.” ,,Gestopt?!” Ze kijkt me verbaasd aan. Ik knik. ,,Ja, ik vond het niks meer. Ik werk nu in een kledingzaak. En probeer te bedenken wat ik volgend jaar zal gaan doen.” Ik zie haar denken: het gaat vast niet zo goed met Pat. Maar ze blijft vriendelijk glimlachen. ,,Nou, succes ermee dan maar. Reina is boven.”
Bij elke stap word ik nerveuzer. Ik zou eigenlijk het liefst weer weg willen vluchten, de trap af, naar buiten, er vandoor. Er is niets waar ik zo’n hekel heb als aan Het Uitpraten. Maar ik wil dat het goedkomt tussen ons. Ik zal er wat moeite voor moeten doen. Ik klop op haar deur. ,,Ja!” roept Reina.
Ze zit in de vensterbank met haar schetsblok, zoals ik haar al zo vaak heb zien zitten. ,,Hoi,” zeggen we tegelijk, en we beginnen beiden nerveus te giechelen. Help. Dit is een kwelling. Ik wil dat dit snel achter de rug is. Even door de zure appel heen bijten dan maar. ,,Luister,” zeg ik. ,,Het spijt me. Dat ik zo onevenredig boos werd, dat ik nooit op je brief gereageerd heb. Ik denk dat ik gewoon tijdelijk een beetje raar was. Een beetje op hol geslagen, door mijn nieuwe leven, dat soort dingen…” Jemig, wat sta ik nou allemaal voor onzin uit te kramen? Maar ik ben bang om te stoppen met praten, bang voor wat ze zal zeggen. Dus ik kwek maar door. ,,Ik was sowiezo raar in die periode, al dat uitgaan enzo… je weet wel. En daarna, ja, ik schaamde me denk ik. Eerst wilde ik niet reageren en toen was het opeens zo lang geleden dat ik niet meer durfde. En…” Maar Reina staat op van de vensterbank, loopt naar me toe en pakt mijn handen vast. ,,Pat,” zegt ze vriendelijk, want ze weet wel hoe erg ik dit vind om te doen. ,,Pat, stop maar. Het is goed zo. Ik snap wel dat het je spijt. Dat je hebt voorgesteld om naar me toe te komen, om erover te praten, dat vind ik al heel wat. Want ik weet wat een hekel je daaraan hebt.” Ze lacht. ,,Zullen we het maar gewoon vergeten? Zand erover enzo? Oh ja, en trouwens, ik had Sebastiaan niet zomaar mogen zoenen. Ik dacht gewoon niet na, echt stom van mij. Dus het spijt mij ook.”
Ik knik. ,,Oké. Zand erover. Godzijdank!” Zenuwachtig begin ik te lachen. Reina lacht mee. Dan vallen we elkaar in de armen. ,,Ik ben zo blij dat het weer goed is!” zegt ze. ,,Ik heb je gemist, weet je dat?” ,,Ik jou ook,” antwoord ik. ,,Ik had niet gedacht dat je me zo makkelijk zou vergeven.” Ze laat me los en kijkt me peinzend aan. ,,Dat zou ik eerst ook niet zo makkelijk gedaan hebben. Maar you don’t know what you’ve got ‘till it’s gone.”
89. Kilian
Het is een onverwacht mooie zondag. En een vrije zondag. Kan niet beter dus. Met mijn jas los aan en de dikke krant van gisteren onder mijn arm, loop ik naar mijn stamcafé. Ik vind het een mooie dag om voor het eerst dit jaar weer op het terras te zitten, al zal dat misschien nog een beetje aan de frisse kant zijn.
De eigenaar heeft duidelijk hetzelfde gedacht, want de stoeltjes en tafeltjes staan alweer buiten. Er zitten ook al mensen. Gelukkig is mijn favoriete tafeltje in het hoekje nog vrij. Ik ga zitten, spreid mijn krant uit en bestel een koffie. Zo. Ik ben weer terug. Ik buig me over de krant.
Maar er gebeurt iets vreemds. Ik kan me niet concentreren. Ik heb het artikel nog niet uitgelezen, of ik zit alweer om me heen te kijken, naar de mensen die langslopen. Sommigen nog dik ingepakt, alsof het vriest, en sommigen overdreven zomers. Ik zie zelfs een meisje met blote benen onder een rokje. Mooie benen, dat wel. Wat zit je hier nou, man! denk ik plotseling bij mezelf. Met je krantje en een kopje koffie op een terras! Je lijkt wel een oude vent! Typisch een leraar! Is dit echt hoe je de rest van je leven wil gaan slijten? Wil je niet veel liever achter die dame met de mooie benen aan?
Waar komt deze gedachte nou opeens vandaan? Dit doe ik al zo lang. En ik heb me nooit eerder “een oude vent” gevoeld. Oké, ik ben misschien wat jong om onder het genot van een kopje koffie op een terras de krant door te spitten, maar wat geeft dat? Komt het soms doordat ik nu een jongere vriendin heb? Hoe het ook zit, het is onzin. Het slaat nergens op. Irrationeel. Ik ben juist heel jong van geest, want ik date met een leerling. Hoe niet-saai kun je zijn?!
Goed, waar was ik gebleven? Oh ja, hier. Wat een saai artikel is dit eigenlijk, daar kwam het natuurlijk door dat ik afdwaalde. Ik sla de bladzijde om. Er staat een windje, dus dat lukt niet zomaar. Ik voel me een beetje debiel, zoals ik hier zit, proberend een wapperende krant in bedwang te houden.
Terwijl ik me door een artikel over kinderarbeid heen worstel, mezelf dwingend om niet meer op te kijken en naar de wandelende mensen te gaan staren, voel ik hoe de zon achter een wolkje verdwijnt. Ook dat nog. Het is meteen een paar graden kouder. Het is weer gewoon maart, grijs en niksig. Dit schiet niet op vandaag, zeg. Waarom kan ik nu niet gewoon van mijn krantje genieten, zoals eerst? Een jongen op skates vliegt langs. Dat is wat ik wil doen, bedenk ik opeens. Niet hier stil zitten, maar actief zijn, bewegen, mezelf moe maken. Ik weet niet waar de behoefte opeens vandaan komt, maar ik sta al op, vouw mijn krant in vieren en betaal mijn koffie. Een kwartier later zit ik op mijn fiets en race ik de stad uit, genietend van de wind.
90. Reina
,,Wil je wat drinken?” vraag ik aan Pat. Ze knikt. ,,Ja, lekker. Doe maar cola ofzo.” ,,Ben zo terug,” zeg ik, en ik loop mijn kamer uit. Op de trap haal ik diep adem. Even rustig. Even bijkomen. Ik ben blij dat het weer goed tussen ons is, maar het is wel raar dat ze ineens weer in mijn kamer zit, degene aan wie ik de afgelopen maanden met zoveel bitterheid gedacht heb. Zal het ooit weer helemaal hetzelfde zijn? Hoe lang zal het nog duren voor dat kleine beetje spanning, dat toch in de lucht blijft hangen, weg is?
Ik loop naar de keuken, pak twee glazen en trek de koelkast open. Mijn moeder heeft me gehoord en komt zich ermee bemoeien. ,,Zo, Pat was hier lang niet geweest.” Ik knik. ,,Klopt. We hadden ruzie.”
,,Ah, vandáár…”
,,Vandaar wat?”
,,Vandaar dat ze zo raar binnenkwam. Zo stilletjes. Normaal kletst ze je de oren van het hoofd.”
,,Ja.”
Ik hoop dat mijn korte antwoord kort genoeg is om haar terug te laten gaan naar de woonkamer. Maar nee. Ze gaat er eens goed voor staan. Wat zachter zegt ze: ,,Ik had het idee dat het niet zo goed met haar gaat.”
,,Ik weet het niet.”
,,Ze is magerder geworden hoor, dat is echt opvallend. Ze leek me niet gelukkig.”
,,Ze is gestopt met haar studie, mam, dat is alles wat ik weet. En zullen we nu ophouden met roddelen over iemand die hier twee verdiepingen boven zit?”
,,Oh, ja, natuurlijk. Sorry. Nou, veel plezier nog. Ik hoop dat jullie het een beetje kunnen uitpraten.”
,,Hebben we al gedaan.”
,,Nou nou, dat is snel na zo’n lange ruzie.”
Nu schiet ik uit mijn slof. ,,Jemig, mam, bemoei je er niet mee! Jij weet er niks vanaf!” Kwaad schenk ik cola in de glazen. Het klotst over de randen als ik langs haar heen loop.
Als ik boven kom, zit Pat in mijn schetsblok te bladeren. ,,Je hebt niet veel getekend de laatste tijd,” merkt ze op. ,,Deze herken ik nog.” Ik zet de cola op tafel en haal mijn schouders op. ,,Ik heb het druk. Eindexamen, dat weet je toch nog wel. En nu werk ik ook nog eens twee keer zo hard, want als ik het dit jaar niet haal…” ,,Dan moet je van school,” vult Pat aan. Ik ril van afschuw. Als iemand anders het zegt klinkt het om de één of andere reden nog erger. ,,Ik wil er niet aan denken. Ik ga het halen, het gaat gewoon lukken. Kan me niet schelen hoe.” Pat knikt instemmend. ,,Wil je nog steeds Nederlands studeren?”
,,Ik weet het niet. Ik weet niet waarom ik het precies zou willen. Ik heb eigenlijk helemaal niks met Nederlands. Misschien wilde ik het vorig jaar alleen maar omdat jij het wilde. Nu ben ik een individu.” Ik hoor dat dat laatste misschien wat scherper klinkt dan het bedoeld was. ,,Nou ja, ik bedoel…” begin ik. Maar Pat schudt haar hoofd. ,,Nee, ik snap wat je bedoelt. Ik heb hetzelfde. Volgens mij wilden we gewoon Nederlands studeren omdat de ander dat zou gaan doen. Maar het is zo moeilijk om te bedenken wat je zélf wilt. Waar je je écht de rest van je leven mee bezig wilt houden. Er zijn zoveel keuzes dat het eigenlijk zonde is om één ding te kiezen, omdat je dan zoveel andere dingen niet meer kunt doen.” ,,Precies! Precies!” Ik veer op. Wat ze zegt is exact hoe ik het voel. Ze verwoordt weer wat ik denk. En plotseling is alles weer net zoals eerst. ,,Het is eng,” zeg ik. ,,Het is zo… bepalend.” ,,Precies, inderdaad!” roept Pat nu op haar beurt. We kijken elkaar aan en grijnzen. We weten het allebei: het is weer helemaal in orde tussen ons. We vergeten die stomme ruzie en gaan gewoon verder waar we gebleven waren.
91. Sebastiaan
Ik ben weer thuis. Thuis in het huis dat ik al een half jaar niet meer als mijn thuis beschouwde. Thuis in Kamerik. Ik zit tv te kijken, maar de zon schijnt naar binnen, dus ik kan het niet goed zien. ,,Màààm!” blèr ik, net als vroeger. ,,Wil je de gordijnen even dichtdoen?” Slaafs komt mijn moeder naar binnen snellen. ,,Natuurlijk, Sebastiaan. Wil je nog een koekje?” Ik schud mijn hoofd. ,,Nee, mam. Ik groei hier nog dicht. Ik beweeg niet, weet je nog?” Ze knikt schuldbewust. ,,Natuurlijk. Sorry lieverd.” Dan gaat ze snel verder redderen in de keuken. Vanavond komen mijn oom en tante eten, samen met mijn twee nichtjes. Een etentje om te vieren dat ik weer thuis ben. Maar ik weet nog steeds niet of dat nou iets is om te vieren, of iets om om te rouwen.
Aan de ene kant is het hier beter dan in het ziekenhuis. In mijn oude kamer is het ’s nachts tenminste stil. Bovendien vergeet niemand hier mijn eten te brengen, en is het eten ook nog eens lekker. En ik heb hier meer te doen. Net als in het ziekenhuis kan ik hier tv kijken en interenetten, maar ik heb ook mijn oude playstation herontdekt. Ik doe alle spelletjes waar ik zo dol op was als knulletje van tien. Stiekem vind ik dat heerlijk. Ik verbeeld me dat ik echt die man bén die daar zo fit en sterk door een donkere gang rent met een lasergeweer. Iemand die kan lopen, sterker nog, die kan rennen, kan vechten. Een echte kerel. Ik verbeeld me dat ik weer iemand ben, een vent, geen oude man in een rolstoel. Serieus, als ik al deze spellen heb uitgespeeld, ga ik mijn oude schoolvriendjes opbellen om te vragen of zij toevallig niet nog oude playstation-spellen hebben liggen. En ’s avonds in bed lees ik uren in de boeken van mijn vader. Toegegeven, die man heeft nog best boeiende dingen in zijn kast staan. Ik was nooit zo’n lezer, maar wat moet je als je door je ouders om tien uur al in bed getild wordt?
Kijk, daar hebben we dus het rouw-gedeelte. Je ouders die je met vereende krachten ’s avonds in je bed tillen, en je er ’s morgens weer uithalen, hoe triest is dat? Vooral als ze vroeg naar bed willen, wat dus bijna elke avond het geval is. In Tilburg ging ik vaak om tien uur ’s morgens slapen, hier om tien uur ’s avonds. Nou ja, dan slaap ik dus niet, dus dan pak ik die boeken van mijn vader maar. Ik lees nu De donkere kamer van Damokles. Als ik lees over de moeder van de hoofdpersoon, denk ik toch bij mezelf: die van mij is zo erg nog niet. Maar om nou te zeggen dat ze relaxed is, nee. Wat ik al verwacht had, gebeurt ook: mijn moeder loopt me de godganse dag te betuttelen. ,,Wil je nog wat soep, Sebastiaan?” ,,Zit je wel goed, Sebastiaan?” ,,Is je morfine nog niet uitgewerkt, Sebastiaan?” Etcetera, etcetera. Doodmoe word je ervan. Soms heb ik zin om te schreeuwen dat ze op moet rotten, dat ik het allemaal wel alleen kan (al is dat overduidelijk niet waar), dat ik geen baby meer ben. Maar iets weerhoudt me ervan. Ik besef dat ze het wel allemaal dóet, voor haar volwassen zoon zorgen, dag in dag uit. Ze zet haar hele leven (aangenomen dat ze dat heeft als ik er niet ben) voor mij opzij. Ze doet het omdat ze – kwijl, kwijl – van me houdt. Dat besef weerhoudt me ervan om tegen haar te schreeuwen, al grom ik soms wel.
De bel gaat. Mijn moeder trippelt naar de deur. Ik hoor enthousiaste stemmen en luchtzoenen. Ik zet de televisie uit en ga wat rechter op zitten, voor zover dat lukt. Ik ben klaar voor mijn eerste post-ziekenhuis-etentje.
92. Kilian
,,Vandaag hou ik een onverwachte overhoring,” kondig ik aan. Heel VWO 6 kreunt aanstellerig. De vorige twee keer werkte dat, vooral in combinatie met de smekende oogopslag van Reina. Maar vandaag besluit ik me niet te laten vermurwen. Vandaag krijgen ze die overhoring écht. Om de simpele reden dat ik nu wel eens wil weten hoe ver ze nou eigenlijk zijn, twee maanden voor het eindexamen. De schrik slaat me om het hart. Stel nou eens dat ik zó slecht heb lesgegeven dat ze allemaal zakken op Engels? Nou ja, des te meer reden om die overhoring vandaag te geven. Ik pak blaadjes van mijn bureau en begin die uit te delen. ,,Ah, meneer, alstublief,” teemt Reina. Denkt ze echt dat ze het zo voor elkaar kan krijgen? Op dit moment ben ik gewoon haar leraar. ,,Nee, mevrouw Verbrugge,” blaf ik dus. ,,Lief kijken gaat u vandaag niet helpen. Als u uw huiswerk de afgelopen weken een beetje bijgehouden heeft, moet het goed te doen zijn.” Ik hoor May giechelen. Stom kind.
Ik ga achter mijn bureau zitten en kijk hoe ze allemaal zuchtend en steunend aan het werk gaan. Ik laat mijn hoofd in mijn handen rusten. Ik hang wel weer de bullebak uit, de laatste dagen. Ik weet niet wat er met me aan de hand is, maar ik voel me de hele tijd kriebelig, nerveus en opgejaagd. Vandaag merkte ik dat ik zelfs achterdochtig achterom keek toen ik door de gang liep, terwijl ik helemaal niets verbodens deed. Ik liep gewoon naar mijn lokaal! Aan Reina kan het ook niet liggen, want die gedraagt zich voorbeeldig, sinds onze kleine relatiecrisis van vorige week. Nou ja, afgezien van dat “ah, meneer” van daarnet dan. Maar dat is iets kleins. Iemand die daaruit zou afleiden dat we een relatie hebben, zou stapelgek zijn.
Maar wat zit me dan zo dwars? Misschien is het toch gewoon dat ik geschrokken ben van wat er vorige week gebeurd is. Het heeft me met mijn neus op de feiten gedrukt. Opeens realiseerde ik me wat er zou kunnen gebeuren. Het risico dat Reina en ik lopen. De grote woorden die ik had toen ik iets met Reina begon… ik besef nu tot mijn schaamte dat ze niets voorstelden. Mijn baan kan me wél iets schelen. Mijn baan kan me zoveel schelen, dat ik nu al een week bagger loop te schijten. Nog even en ik word paranoïde en ga denken dat het schoolbestuur me afluistert via mijn stopcontact.
Maar dan kijk ik naar Reina, zoals ze daar zit, diep nadenkend over een vraag, gedachteloos met haar hand door haar lange blonde haar woelend… Ik voel weer verliefdheid opwellen in mijn buik. Nee, ik wil haar niet kwijt. Tenminste niet vandaag.
93. Pat
Ik kijk naar mijn spiegelbeeld in een etalageruit, tuit mijn lippen en fatsoeneer mijn krullen. Ik haal diep adem. Oké, we gaan ervoor. Wat heb ik toch een gruwelijke hekel aan sollicitatiegesprekken. Maar als ik nu niet naar binnen ga, moet ik de rest van mijn vrije halfjaar tegen dikke vrouwen zeggen hoe geweldig dat streepjestruitje staat.
De hal is zo smetteloos dat ik me meteen een beetje smoezelig voel, ook al heb ik mijn netste kleren aan: een zwarte broek en een knalblauw bloesje. Ik heb zelfs mijn oude zwarte laarzen meegenomen uit mijn ouderlijk huis en ze een opknapbeurt gegeven. Als ik niet representatief ben, weet ik het niet meer, dacht ik nog toen ik van huis wegging. Maar dat gevoel is nu helemaal weg.
Het de naam en het logo van het bedrijf hangen groot op een glanzend bord boven de receptie: Prins & Basel Makelaars. De receptie waar ik kom te werken. Hopelijk. Misschien. Als dit gesprek goed gaat. Receptiewerk lijkt me niet bijzonder leuk, maar het verdient ontzettend goed, en het is wel iets waarmee je kunt aankomen op je cv.
Nog voor ik me bij de receptie heb kunnen melden, gaat de deur ernaast open. Een lange man, grijs aan de slapen, stapt met uitgestoken hand op me af. ,,Jij moet Pat zijn! Mooi op tijd!” Ik knik, glimlach en schud zijn hand. Hij stelt zich voor als Mark Basel. ,,Goh, meneer Basel himself,” reageer ik. Ik heb het eruit geflapt voor ik er erg in heb. Ik kan mijn tong wel afbijten. Wat ben ik toch een ramp met vreemden. Maar Mark Basel lacht gelukkig. Hij doet me aan iemand denken, maar ik kan er even niet opkomen wie. Doet er ook niet toe; ik moet me door dit gesprek heen zien te slaan, dat is alles wat telt.
Ik loop achter meneer Basel aan naar zijn lichte kantoor, dat grenst aan een grote wilde tuin. Ik hou mijn adem in. Wat zou ik hier graag willen werken. Ik ga op het puntje van een stoel zitten. ,,Wil je thee?” vraagt Mark Basel. Ik bedank. Ik zie mezelf al klungelen met een te vol glas gloeiend hete thee. Slecht plan.
Hij komt tegenover me zitten en begint me de gebruikelijke vragen te stellen. Het begint makkelijk; hoe oud ik ben, waar ik vandaan kom, wat ik doe in mijn vrije tijd. Ik zeg dat ik hou van stijldansen en hockey. (Little white lie) Hij maakt het moeilijker, vraagt waarom ik voor Prins & Basel Makelaars wil komen werken. Nu komt het er op aan. Ik slik en begin aan het verhaaltje dat ik thuis ingestudeerd heb, maar halverwege raak in de war en vergeet wat ik nou ook alweer wilde benadrukken. ,,Het eh… het lijkt me gewoon een leuk baantje,” eindig ik slapjes. Fout! Fout! Fout! Waarom zei ik nou “baantje”?! Nu klinkt het alsof ik het niet serieus neem. ,,Eh, ik bedoel natuurlijk “baan”,” verbeter ik mezelf, rood tot aan mijn haarwortels. Mark Basel glimlacht gelukkig nog steeds en begint uit te weiden over arbeidsvoorwaarden, salaris, afspraken, regels. Ik luister ingespannen. Het klinkt fantastisch. Een echte, officiële baan. Receptioniste. Klinkt toch heel wat beter dan winkelmeisje.
,,Goed,” zegt Mark Basel monter. Hij klapt zijn map dicht, staat op en schudt weer mijn hand. ,,Over twee dagen hoor je van ons.” Ik weet daar geen elegant antwoord op, dus glimlach ik maar wat. Vol gespannen verwachting fiets ik naar huis.
94. Reina
onderhandeling
ondoordringbaar
ongeloofwaardig
Ik kan mijn haren wel uit mijn hoofd trekken. Wat is hier het Engelse woord voor? Ik weet ze gewoon alledrie niet. Die eerste, die ligt echt op het puntje van mijn tong. Kom op, onderhandeling, onderhandeling, ik weet het best. Ze zeggen het zo vaak op het journaal. Waarom kan ik er niet op komen? Oh God, ik heb weer een blackout, net als vorig jaar tijdens het eindexamen. Ik dacht dat ik daar vanaf was. Ik dacht dat ik daar dit jaar geen last meer van zou hebben. Maar het begint alweer. Het gaat weer precies hetzelfde. Op het cruciale moment weet ik niets meer, hoe goed ik ook geleerd heb. Er is geen enkele kans dat ik het examen dit jaar wel haal. Want leren haalt niks uit. Niet zolang ik deze vreselijke blackouts blijf hebben.
Ik zie het al helemaal voor me. Ik ga zakken. Voor de tweede keer. Ik moet van school af, naar het ROC, om daar de vakken die ik onvoldoende sta, opnieuw te doen. En ook dat zal ik niet halen door die stomme blackouts. Ik zal tot het einde der tijden doorploeteren op dat stomme VWO-examen, tot ik het uiteindelijk opgeef en mijn rest van mijn leven achter de kassa moet zitten in de supermarkt en op mijn vijfentwintigste word ik zwanger van een vakkenvuller en zit ik jaren thuis met twee jankende, met snot besmeurde kinderen, die niet naar me luisteren en me voor teringwijf uitmaken, net als die supernanny-kinderen, en ik zal mijn haar elke dag in een vettig staartje dragen en alleen maar zeggen “niet schelden tegen mammie, dat is niet lief”. Allemaal omdat het me niet lukt om mijn VWO-diploma te halen. Voor ik het goed en wel in de gaten heb, begin ik zachtjes te huilen. Hier en daar kijken mensen op. ,,Reina, wat is er?” ,,Gaat het, Reina?” Maar ik kan alleen maar denken aan de supermarkt, en mijn ongehoorzame rotkinderen.
Ik voel dat iemand mijn arm pakt. Ik kijk op. Kilian. ,,Kom maar even mee naar de gang,” zegt hij, niet onvriendelijk, maar onmiskenbaar afstandelijk. Het doet opeens zo’n pijn dat ik niet kan wegkruipen in zijn armen. Dat is juist het enige wat ik wil. Maar ik laat mijn hoofd hangen en loop gedwee achter Kilian aan, de klas uit. Hij doet de deur dicht en kijkt me bezorgd aan. ,,Wat is er nou? Heb ik iets verkeerd gedaan?” Ik schud mijn hoofd en het beeld van de supermarkt doemt weer voor mijn ogen op. ,,Ik ga het niet halen,” zeg ik snikkend. ,,Ik weet niet wat onderhandeling in het Engels is. En ik had het geleerd, ik wéét het! Maar ik kan er niet bij komen! Weet je hoe erg dat is?” Hij schudt zijn hoofd. ,,Ik heb daar gelukkig nooit last van gehad. Heb je dat vaker?”
,,Ik had het dit jaar nog niet gehad. Ik had het vorig jaar tijdens mijn eindexamen steeds. Daardoor heb ik het ook niet gehaald. Door die stomme blackouts de hele tijd.”
Hij kijkt me peinzend aan. ,,Heb je niet gewoon faalangst?” Ik haal mijn schouders op. ,,Weet ik niet. Nooit over nagedacht eigenlijk.”
,,Tijd om dat wel te gaan doen. Je bent nog ruim op tijd voor faalangsttraining. Dan kun je beter met die blackouts omgaan en is er een grote kans dat je je examen gewoon haalt. Want je bent slim genoeg en dat weet je.”
Een klein vlammetje hoop gloeit op in mijn binnenste. Door mijn tranen heen kijk ik hem aan. ,,Denk je?” Hij glimlacht, kijkt even schichtig achterom en veegt een traan van mijn wang. ,,Dat denk ik niet. Dat wéét ik.” Ik heb ontzettend veel zin om hem te zoenen, mijn angst weg te zoenen, mijn problemen. Maar ik hou me in. Ik glimlach alleen maar naar hem, waterig. Hij glimlacht terug.
,,Oké,” zegt hij dan, opeens weer zakelijk, opeens weer leraar. ,,Ik moet maar eens gaan kijken of ze alle antwoorden inmiddels niet aan elkaar hebben doorgegeven. Jij gaat lekker een kopje koffie drinken in de kantine en ik ga straks kijken of ik faalangsttraining voor je kan regelen.”
,,Je bent lief,” fluister ik. Hij schudt zijn hoofd. ,,Ik ben leraar.”
95. Sebastiaan
Ik doe het autoportier open en struikel onhandig de parkeerplaats op. Sinds twee dagen heb ik loopgips, maar ze zouden het beter kreupelgips kunnen noemen. Kreupel ben ik namelijk nog steeds. Ik strompel voort met een snelheid van 3 meter per uur, zwaar leunend op mijn lege rolstoel of wat er maar voorhanden is. Ik vermoed dat ik een treurig tafereeltje moet vormen. Maar aan de andere kant ben ik blij dat ik dit tenminste weer kan, de stad in gaan met mijn moeder. Niet dat ik door de stad zal kunnen lopen, maar ik zit tenminste niet meer voor de tv of mijn spelcomputer. Ik voel de zon op mijn gezicht, de wind in mijn haren. Ik hoor de vogels. Ik zie zorgeloze mensen. Ik ben weer een beetje wie ik wil zijn. Zelfs als ik door mijn moeder voortgeduwd word.
Ze heeft mijn rolstoel uit de achterbak gehaald en op de rem gezet. Ik laat me erin vallen. Ik doe mijn best om niet te laten merken dat ik buiten adem ben geraakt van het overstappen. Mijn moeder sluit de auto af en duwt me het trottoir op, neurieënd alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Misschien is het dat voor haar inmiddels ook. ,,Zo, waar wil je als eerste heen?” vraagt ze. Ik haal mijn schouders op. ,,Maakt niet uit. Wat we als eerste tegenkomen.”
Nieuwe kleren gaan we vandaag kopen. Nieuwe kleren voor mij, zodat ik niet meer in afdankertjes uit mijn puberteit of kleren van mijn vader hoef te lopen. Ik heb er ontzettend veel zin in. Eigenlijk is dit de eerste keer sinds de brand dat ik weer écht ergens zin in heb. Ik kan niet wachten tot ik er weer als Sebastiaan uitzie. Ik schaam me voor wat ik nu aanheb, al was het het beste wat ik kon bedenken. Ik draag een vaalblauwe, slobberige joggingbroek van mijn vader, de Nike-sweater die ik afdankte toen ik zestien was en een te groot rood zeiljack dat ik speciaal voor deze expeditie mocht lenen van de buurman. Niet bepaald kleding waarin ik gezien wil worden, maar meer kon ik er niet van maken. Natuurlijk had ik nog makkelijk twee maanden in deze kleren kunnen blijven lopen, want ik ga verder toch nog nergens heen. Behalve naar het brandwondencentrum in Beverwijk, om mijn huisgenootjes te bezoeken. En daar zie ik zo ontzettend tegenop, dat ik het gevoel heb dat ik het alleen aan zal kunnen als ik er tenminste een beetje goed uitzie. Om de één of andere reden krijg ik het ijskoud bij de gedachte om als hoopje ellende twee andere hoopjes ellende te moeten bezoeken. Dat kan ik niet. Ik heb mijn Sebastiaan-de-womanizer-masker nodig om me achter te kunnen verschuilen. Anders red ik het niet, dan stort ik in en ga ik schreeuwen, of wegrennen, of kotsen, of alledrie.
Hoe hun lichamen er precies aan toe zijn weet ik niet, en dat kan me ook niet zoveel schelen. Dat hun gezichten verminkt zijn, dát is wat me angst aanjaagt. Er is me verteld wat er precies met hun gezichten gebeurd is, woorden die ik nooit zal vergeten. Niels heeft geen lippen meer en nog maar de helft van zijn neus. Bij Marieke is de hele rechterhelft van haar gezicht aangevreten door het vuur. Ook haar rechter ooglid is weggevreten, waardoor ze dat oog nooit meer kan sluiten. Van allebei is het haar volledig verbrand.
Zodra ik goed genoeg ben ga ik naar ze toe, heb ik de hele tijd gezegd, altijd in de veilige wetenschap dat het nog lang niet zover was. Maar nu heb ik loopgips en is het wél zover. Ik kan er niet meer onderuit. Overmorgen ga ik met twee andere huisgenootjes naar het bezoekuur. Ik word eng vanbinnen als ik eraan denk. Ik zie er echt als een berg tegenop. Na wat ik overmorgen zal zien, zal ik nooit meer hetzelfde tegen de wereld aankijken, zo gruwelijk zal het zijn. Dat idee beangstigt me. Ik heb houvast nodig. Houvast dat ik hoop te vinden in nieuwe kleren. Daarom laat ik me nu door mijn moeder de eerste de beste kledingwinkel in duwen, iets wat ik voor het laatst heb toegelaten toen ik veertien was.

0 Comments:
Post a Comment
<< Home